Betekenis van:
schema

schema (het ~ | meervoud schema's)
Zelfstandig naamwoord
  • voorstelling die een vereenvoudigd beeld geeft van een inrichting, samenstelling of werking
"een schema van de werking van de telefoon"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

schema (het ~ | meervoud schema's)
Zelfstandig naamwoord
  • plan voor werkwijze
"een schema maken"
"een schema voor [een opstel]"

Hyperoniemen

Hyponiemen

schema (het ~ | meervoud schema's)
Zelfstandig naamwoord
  • planning voor taken of gebeurtenissen; tijdsplanning; planning
"een vast schema (aanhouden/volgen)"
"een schema voor [de klusjes in huis]"

Synoniemen

Hyperoniemen