Vertaling van break up

Inhoud:

Engels
Nederlands
to break up, to separate {ww.}
scheiden 
uiteengaan
vaneengaan
zich verspreiden
to break, to break off {ww.}
afbreken 

I break
you break
we break

ik breek af
jij breekt af
wij breken af
» meer vervoegingen van afbreken

to break, to control, to subdue, to train {ww.}
africhten 
dresseren
tot gehoorzaamheid dwingen

I break
you break
we break

ik richt af
jij richt af
wij richten af
» meer vervoegingen van africhten

to break, to break off {ww.}
losbreken

I break
you break
we break

ik breek los
jij breekt los
wij breken los
» meer vervoegingen van losbreken

to break, to crack {ww.}
breken 
afbreken 
knappen
uitraken
stukgaan

I break
you break
we break

ik breek
jij breekt
wij breken
» meer vervoegingen van breken

to break, to breach, to crack {ww.}
breken 
afbreken 
doorbreken
schenden
stukbreken
verbreken

I break
you break
we break

ik breek
jij breekt
wij breken
» meer vervoegingen van breken

to interrupt, to break, to disrupt, to stop {ww.}
interrumperen
onderbreken
schorsen 

I break
you break
we break

ik interrumpeer
jij interrumpeert
wij interrumperen
» meer vervoegingen van interrumperen

to break up, to dispel, to disperse, to dissipate, to scatter {ww.}
uiteenslaan
to break up, to sever {ww.}
uitmaken
Tom doesn't want to break up with Mary.
Tom wil het niet uitmaken met Mary.
to break up, to cut off, to disrupt, to interrupt {ww.}
wegsteken
to break up, to disperse, to scatter {ww.}
verbreken
to break up, to disperse, to scatter {ww.}
verstuiven
uiteenstuiven
to break up, to dissolve {ww.}
ontbinden
to break up, to dissolve, to resolve {ww.}
resolveren
oplossen
to break up, to fragment, to fragmentise, to fragmentize {ww.}
opbreken
to break up, to collapse, to crack, to crack up, to crock up {ww.}
inzakken
instorten
inklappen
to break up, to crack up {ww.}
doodlachen
to break up, to fragment, to fragmentise, to fragmentize {ww.}
versnipperen
to break up, to dissolve {ww.}
verbreken
breken
to break up, to dispel, to disperse, to dissipate, to scatter {ww.}
uiteendrijven
to break up, to calve {ww.}
kruien
to break up, to fragment, to fragmentise, to fragmentize {ww.}
fragmenteren
to break up, to collapse, to crack, to crack up, to crock up {ww.}
doordraaien
doldraaien
to break up, to disperse, to scatter {ww.}
spreiden
to break down, to break up, to decompose {ww.}
fragmenteren
to break apart, to break up, to disassemble, to dismantle, to take apart {ww.}
ontmantelen
to break apart, to break up, to disassemble, to dismantle, to take apart {ww.}
afbreken
neerhalen
slopen
slechten
to break apart, to break up, to disassemble, to dismantle, to take apart {ww.}
opbreken
to break apart, to break up, to disassemble, to dismantle, to take apart {ww.}
demonteren
uiteennemen
to adjourn, to break up, to recess {ww.}
verdagen

Voorbeelden in zinsverband

Engels
Nederlands

Tom and Mary might break up.

Tom en Mary gaan misschien uit elkaar.

Tom doesn't want to break up with Mary.

Tom wil het niet uitmaken met Mary.