Vertaling van chair

Inhoud:

Engels
Nederlands
chair, seat {zn.}
stoel  [m]
zetel [m]
to chair, to lead, to moderate {ww.}
voorzitten
presideren

I chair
you chair
we chair

ik zit voor
jij zit voor
wij zitten voor
» meer vervoegingen van voorzitten

chair, chairman, chairperson, chairwoman, president {zn.}
moderamen
chair, professorship {zn.}
professoraat [o] (het ~)
katheder
leerstoel [m] (de ~)
hoogleraarschap
chair, chairman, chairperson, chairwoman, president {zn.}
voorzitter [m] (de ~)
He was elected chairman.
Hij werd verkozen tot voorzitter.
Please address the chair!
Richt u alstublieft tot de voorzitter!
chair, chairman, chairperson, chairwoman, president {zn.}
president [m] (de ~)
voorzitter [m] (de ~)
Where's the president?
Waar is de president?
He was elected president.
Hij werd verkozen tot president.
chair, professorship {zn.}
voorzittersstoel
chair, chairman, chairperson, chairwoman, president {zn.}
moderator
chair {zn.}
katheder [m] (de/het ~)
pulpit, chair, throne {zn.}
kansel
katheder
leerstoel
spreekgestoelte
chair, chairman, chairperson, chairwoman, president {zn.}
moderamen
chair {zn.}
stoel [m] (de ~)
chair, professorship {zn.}
ordinariaat
chair, chairman, chairperson, chairwoman, president {zn.}
gespreksleider [m] (de ~)
moderator [m] (de ~)

Voorbeelden in zinsverband

Engels
Nederlands

Please address the chair!

Richt u alstublieft tot de voorzitter!

Take the other chair!

Neem de andere stoel!

This chair is ugly.

Deze stoel is lelijk.

This chair is uncomfortable.

Deze stoel is oncomfortabel

Is the cat on the chair or under the chair?

Zit de kat op of onder de stoel?

He stood behind the chair.

Hij stond achter de stoel.

What's this chair doing here?

Wat heeft deze stoel hier te zoeken?

It is under the chair.

Het ligt onder de stoel.

The chair is close to the door.

De stoel staat dicht bij de deur.

A cat was sitting on the chair.

Er zat een kat op de stoel.

This chair is in want of repair.

Deze stoel moet gerepareerd worden.

You may sit down on the chair.

U mag op de stoel gaan zitten.

The boy sat on a chair.

De jongen zat op een stoel.

The chair is not near the window.

De stoel is niet dichtbij het raam.

The cat is sleeping on the chair.

De kat slaapt op de stoel.