Vertaling van fire

Inhoud:

Engels
Nederlands
to fire, to shoot {ww.}
schieten
vuren
paffen

I fire
you fire
we fire

ik schiet
jij schiet
wij schieten
» meer vervoegingen van schieten

He was scared you would shoot him.
Hij was bang dat je op hem ging schieten.
fire, outbreak of fire {zn.}
brand [m]
vuurzee
What's on fire?
Wat staat er in brand?
A small forest fire can easily spread and quickly become a great conflagration.
Een klein bosbrandje kan zich makkelijk verspreiden en snel een grote vuurzee worden.
fire {zn.}
brand [m]
fire {zn.}
vuur  [o]
to discharge, to fire, to fire off {ww.}
losbranden
afvuren

I fire
you fire
we fire

ik brand los
jij brandt los
wij branden los
» meer vervoegingen van losbranden

to discharge, to dismiss, to fire, to sack, to oust, to remove, to expel {ww.}
ontslaan 
royeren
ontzetten

I fire
you fire
we fire

ik ontsla
jij ontslaat
wij ontslaan
» meer vervoegingen van ontslaan

They had to fire 300 men at the factory.
Ze moesten driehonderd mannen ontslaan in de fabriek.
to fan, to fire, to inspire, to stimulate, to stir up, to urge {ww.}
verlevendigen
aanwakkeren
aanzetten
aanvuren

I fire
you fire
we fire

ik wakker aan
jij wakkert aan
wij wakkeren aan
» meer vervoegingen van aanwakkeren

to cheer, to fire, to inspire, to stimulate {ww.}
aanvuren

I fire
you fire
we fire

ik vuur aan
jij vuurt aan
wij vuren aan
» meer vervoegingen van aanvuren

to elate, to fire {ww.}
in vervoering brengen

I fire

to discharge, to dismiss, to fire, to sack, to retrench, to ax, to give the sack {ww.}
afdanken 
afmonsteren
ontslaan 

I fire
you fire
we fire

ik dank af
jij dankt af
wij danken af
» meer vervoegingen van afdanken

to discharge, to fire, to fire off, to let off {ww.}
afschieten
ontladen

I fire
you fire
we fire

ik schiet af
jij schiet af
wij schieten af
» meer vervoegingen van afschieten

firing, fire, gunfire, shooting, fusillade {zn.}
vuren
schietpartij [v]
geschiet
beschieting  [v]
verve, vivacity, fire, liveliness, spirit, animation, zest {zn.}
vuur  [o]
verve
spirit
gloed
sappigheid [v]
pittigheid [v]
geestdrift  [v]
The fire is out.
Het vuur is uitgegaan.
Kill it with fire!
Dood het met vuur!

Voorbeelden in zinsverband

Engels
Nederlands

Kill it with fire!

Dood het met vuur!

No smoke without fire.

Waar rook is, is vuur.

The curtain caught fire.

Het gordijn heeft vlam gevat.

The fire is out.

Het vuur is uitgegaan.

What's on fire?

Wat staat er in brand?

My house was on fire.

Mijn huis was aan het branden.

We raced toward the fire.

We haastten ons in de richting van het vuur.

Don't forget to put out the fire.

Vergeet niet het vuur uit te doen.

The cause of the fire was known.

De oorzaak van de brand was bekend.

He set fire to his own house.

Hij stak zijn eigen huis in de fik.

The coal was glowing in the fire.

De kolen gloeide in het vuur.

Four families were killed in the fire.

Vier gezinnen kwamen om in de brand.

It being cold, we made a fire.

Omdat het koud was, hebben we een vuur gemaakt.

A burnt child fears the fire.

Een verbrand kind is bang voor het vuur.

We had a fire drill yesterday.

Gisteren hadden we een brandoefening.


Gerelateerd aan fire

shoot - outbreak of fire - discharge - fire off - dismiss - sack - oust - remove - expel - fan - inspire - stimulate - stir up - urge - cheer