Vertaling van left

Inhoud:

Engels
Nederlands
left, left-hand {bn.}
linker-
links
left, left side {zn.}
linkerzijde
The correct setting for silverware is the fork on the left side of the plate and on the right side the knife then the spoon.
De juiste plaatswijze van een bestek is de vork aan de linkerzijde van het bord en het mes aan de rechterzijde alsook de lepel.
The person on the left ruins the balance of the picture.
De persoon aan de linkerzijde verstoort het evenwicht in het beeld.
left, to the left {bw.}
linksaf
linksom
naar links
left, left hand {zn.}
linkerhand [m] (de ~)
left, left wing {zn.}
linkerzijde [m] (de ~)
linkerzij
left {bn.}
links
left {zn.}
linkervoet [m] (de ~)
My left foot is asleep.
Mijn linkervoet slaapt.
My left foot has gone to sleep.
Mijn linkervoet slaapt.
left, left over, leftover, odd, remaining, unexpended {bn.}
linker
left, left wing {zn.}
linkervleugel [m] (de ~)
left {bw.}
linksaf
left, left-hand {bn.}
linksdraaiend
left, left field, leftfield {zn.}
linkervleugel [m] (de ~)
left {bn.}
linkerkant [m] (de ~)
linkerzij [m] (de ~)
linkerzijde [m] (de ~)
abiding, left, left over, remaining {bn.}
blijvend
over 
resterend
to leave {ww.}
afstappen

I left
you left
he/she/it left

ik stapte af
jij stapte af
hij/zij/het stapte af
» meer vervoegingen van afstappen

to absent onself, to depart, to go away, to leave, to absent onself from {ww.}
vertrekken
weggaan 
zich verwijderen
afgaan 

I left
you left
he/she/it left

ik vertrok
jij vertrok
hij/zij/het vertrok
» meer vervoegingen van vertrekken

Let's leave.
Laten we weggaan.
I want to leave.
Ik wil weggaan.
to abandon, to desert, to forsake, to leave, to quit {ww.}
in de steek laten
laten varen
verlaten

I left
you left
he/she/it left

ik verlaatte
jij verlaatte
hij/zij/het verlaatte
» meer vervoegingen van verlaten

to exit, to go out, to alight, to emerge, to leave, to quit {ww.}
uitgaan 
uitkomen 
uitlopen
uitstappen
uitstijgen
uittreden

I left
you left
he/she/it left

ik ging uit
jij ging uit
hij/zij/het ging uit
» meer vervoegingen van uitgaan

to depart, to leave, to set out {ww.}
afreizen 
op reis gaan

I left
you left
he/she/it left

ik reisde af
jij reisde af
hij/zij/het reisde af
» meer vervoegingen van afreizen

to depart, to leave, to sail, to start {ww.}
afvaren

I left
you left
he/she/it left

ik voer af
jij voer af
hij/zij/het voer af
» meer vervoegingen van afvaren

to be lenient with, to indulge, to spare, to leave, to relent {ww.}
ontzien
sparen
toegeeflijk zijn voor
zich laten vermurwen

I left
you left
he/she/it left

ik ontzag
jij ontzag
hij/zij/het ontzag
» meer vervoegingen van ontzien

to depart, to leave, to set out {ww.}
afreizen 
op reis gaan

I left
you left
he/she/it left

ik reisde af
jij reisde af
hij/zij/het reisde af
» meer vervoegingen van afreizen

to allow, to leave, to let, to release {ww.}
laten
laten begaan
laten schieten
loslaten
toelaten

I left
you left
he/she/it left

ik liet
jij liet
hij/zij/het liet
» meer vervoegingen van laten

to bequeath, to leave {ww.}
nalaten

I left
you left
he/she/it left

ik liet na
jij liet na
hij/zij/het liet na
» meer vervoegingen van nalaten


Voorbeelden in zinsverband

Engels
Nederlands

I felt left out.

Ik voelde me buitengesloten.

I got left behind.

Men heeft me achtergelaten.

He has left already.

Hij is al weg.

He left the room.

Hij verliet de kamer.

He left just now.

Hij is net gegaan.

She just left.

Ze is net vertrokken.

Razvan just left.

Razvan is net vertrokken.

I'm left-handed.

Ik ben linkshandig.

He left Africa forever.

Hij heeft Afrika voorgoed verlaten.

There is little wine left.

Er is bijna geen wijn meer.

The train left on time.

De trein vertrok op tijd.

She left her children behind.

Ze heeft haar kinderen achtergelaten.

There is no salt left.

Er is geen zout meer.

My left arm is asleep.

Mijn linkerarm slaapt.

My left foot is asleep.

Mijn linkervoet slaapt.