Vertaling van uprise

Inhoud:

Engels
Nederlands
to arise, to come up, to go up, to lift, to move up, to rise, to uprise {ww.}
stijgen
klimmen

I uprise
you uprise
we uprise

ik stijg
jij stijgt
wij stijgen
» meer vervoegingen van stijgen

to arise, to develop, to grow, to originate, to rise, to spring up, to uprise {ww.}
opkomen

I uprise
you uprise
we uprise

ik kom op
jij komt op
wij komen op
» meer vervoegingen van opkomen

to arise, to develop, to grow, to originate, to rise, to spring up, to uprise {ww.}
ontspringen

I uprise
you uprise
we uprise

ik ontspring
jij ontspringt
wij ontspringen
» meer vervoegingen van ontspringen

to arise, to come up, to go up, to lift, to move up, to rise, to uprise {ww.}
optrekken

I uprise
you uprise
we uprise

ik trek op
jij trekt op
wij trekken op
» meer vervoegingen van optrekken

to arise, to develop, to grow, to originate, to rise, to spring up, to uprise {ww.}
opstuiten

I uprise
you uprise
we uprise

ik stuit op
jij stuit op
wij stuiten op
» meer vervoegingen van opstuiten

to arise, to develop, to grow, to originate, to rise, to spring up, to uprise {ww.}
wortelen
teruggaan

I uprise
you uprise
we uprise

ik ga terug
jij gaat terug
wij gaan terug
» meer vervoegingen van teruggaan

to arise, to develop, to grow, to originate, to rise, to spring up, to uprise {ww.}
komen
voortspruiten
ontspruiten
stammen
voortkomen

I uprise
you uprise
we uprise

ik kom
jij komt
wij komen
» meer vervoegingen van komen

to arise, to come up, to go up, to lift, to move up, to rise, to uprise {ww.}
omhoogkomen
opkomen

I uprise
you uprise
we uprise

ik kom omhoog
jij komt omhoog
wij komen omhoog
» meer vervoegingen van omhoogkomen

to arise, to come up, to go up, to lift, to move up, to rise, to uprise {ww.}
omhooggaan
opgaan

I uprise
you uprise
we uprise

ik ga omhoog
jij gaat omhoog
wij gaan omhoog
» meer vervoegingen van omhooggaan

to arise, to develop, to grow, to originate, to rise, to spring up, to uprise {ww.}
ontspinnen

they uprise

zij ontspinnen
» meer vervoegingen van ontspinnen

to arise, to develop, to grow, to originate, to rise, to spring up, to uprise {ww.}
opwippen

I uprise
you uprise
we uprise

ik wip op
jij wipt op
wij wippen op
» meer vervoegingen van opwippen



Gerelateerd aan uprise

arise - come up - go up - lift - move up - rise - develop - grow - originate - spring updisplace - advance - become - disappear - bounce - arise - appear - go