Vertaling van waren

Inhoud:

Nederlands
Engels
dolen, dwalen, ronddolen, ronddwalen, waren, zwerven {ww.}
to wander 
to stray
to roam 

wij waren
jullie waren
zij waren

we wander
you wander
they wander
» meer vervoegingen van to wander

goederen, waren {zn.}
goods 
merchandise 
wares
Is er veel vraag naar deze goederen?
Is there much demand for these goods?
wezen, zijn {ww.}
to be 

wij waren
jullie waren
zij waren

we were
you were
they were
» meer vervoegingen van to be

echt, eigenlijk, heus, waar (mv. waren), waarachtig {bn.}
true 
genuine 
legitimate 
real 
waar (mv. waren), handelswaar, koopwaar {zn.}
merchandise 
wares
waar (mv. waren) {bw.}
where 
waar (mv. waren), handelswaar {zn.}
commodity 
product 
ware 
article 
eerzaam, waar (mv. waren), waardig {bn.}
deserving
worthy 
worthwhile
worth 
waar (mv. waren) {vr. vnw.}
where 
rondwaren, waren, spoken {ww.}
to ghost

wij waren
jullie waren
zij waren

we ghost
you ghost
they ghost
» meer vervoegingen van to ghost

handelswaar [m] (de ~), handel [m] (de ~), handelsgoederen, koopwaar [m] (de ~), waar [m] (de ~), waren [m] (de ~), spul [o] (het ~) {zn.}
good
trade good
commodity
En waar is dat goed voor?
What good will that do?
Dat klinkt te mooi om waar te zijn.
That sounds too good to be true.
zijn, bedragen, komen, kosten, maken, worden, belopen {ww.}
to be
to cost

wij waren
jullie waren
zij waren

we were
you were
they were
» meer vervoegingen van to be

zijn {ww.}
to belong to
to belong

wij waren
jullie waren
zij waren

we belonged
you belonged
they belonged
» meer vervoegingen van to belong

De meeste arbeiders zijn lid van een vakbond.
Most workers belong to unions.
occuperen, bezighouden, zijn, ophouden {ww.}
to work

wij waren
jullie waren
zij waren

we worked
you worked
they worked
» meer vervoegingen van to work

Morgen moet het werk af zijn.
The work must be completed by tomorrow.
Mijn vader gaat met de fiets naar zijn werk.
My father goes to work by bike.
zijn, vormen, uitmaken {ww.}
to be
to represent
to make up
to constitute
to comprise

wij waren
jullie waren
zij waren

we were
you were
they were
» meer vervoegingen van to be

Dat zou oneerlijk zijn.
That would be unfair.
Laat ons eerlijk zijn.
Let's be fair.
zijn, wezen {ww.}
to be
to exist

wij waren
jullie waren
zij waren

we were
you were
they were
» meer vervoegingen van to be

Er zijn veel sterren die groter zijn dan onze zon.
There exist several stars which are larger than our Sun.
Feiten houden niet op te bestaan omdat ze genegeerd zijn.
Facts do not cease to exist because they are ignored.
pozen, toeven, vertoeven, verwijlen, zijn, zitten, bevinden, wezen, ophouden, verkeren, uithangen {ww.}
to be

wij waren
jullie waren
zij waren

we were
you were
they were
» meer vervoegingen van to be

heus, echt, waar (mv. waren) {bn.}
genuine
true
unfeigned
waarheidsgetrouw, ongelogen, waar (mv. waren), juist {bn.}
true


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Engels

Mijn schoolcijfers waren gemiddeld.

My school grades were average.

Haar wangen waren rood.

Her cheeks were red.

Toen waren we jonger.

We were younger then.

We waren vrienden.

We were friends.

Er waren duizenden mensen aanwezig.

Thousands of people were there.

Zij waren geboren in Thailand.

They were born in Thailand.

Vroeger waren we dikke vrienden.

We used to be close friends.

Gisterenavond waren er vijf branden.

There were five fires last night.

Toen waren er nog geen radio's.

There were no radios in those days.

Veel studenten waren afwezig van school.

A great many students were absent from school.

Enkele meisjes waren aan het tennissen.

Some girls were playing tennis.

Omdat al zijn vrienden ook arm waren.

Because all his friends were poor, too.

Er waren geen rozen in de tuin.

There weren't any roses in the garden.

Alle mensen die hier waren, zijn weggegaan.

All the people who were here have left.

De bergen waren overal rondom de stad.

The mountains were all around the city.


Gerelateerd aan waren

dolen - dwalen - ronddolen - ronddwalen - zwerven - goederen - wezen - zijn - echt - eigenlijk - heus - waar - waarachtig - handelswaar - koopwaarrondgaan - groep - behelzen - handelen - zijn - beurs