Vertaling van afgetrokken

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
afgetrokken, verstrooid {bn.}
afgetrokken
verstrooid {bn.}
denkbeeldig, illusoir, imaginair, ingebeeld, ideëel, abstract, afgetrokken {bn.}
denkbeeldig
illusoir
imaginair
ingebeeld
ideëel
abstract
afgetrokken {bn.}
hypothetisch, abstract, afgetrokken {bn.}
hypothetisch
abstract
afgetrokken {bn.}
non-figuratief, afiguraal, abstract, afgetrokken {bn.}
non-figuratief
afiguraal
abstract
afgetrokken {bn.}
korten, aftrekken, inhouden, aftellen {ww.}
korten
aftrekken
inhouden
aftellen {ww.}

ik heb afgeteld
jij hebt afgeteld
hij/zij/het heeft afgeteld

ik heb gekort
jij hebt gekort
hij/zij/het heeft gekort
» meer vervoegingen van korten

De student besloot zijn paper in te korten door de overbodige details eruit te halen.
De student besloot zijn paper in te korten door de overbodige details eruit te halen.
zetten, trekken, laten trekken, aftrekken {ww.}
zetten
trekken
laten trekken
aftrekken {ww.}

ik heb afgetrokken
ik had afgetrokken
ik zal afgetrokken hebben

ik heb gezet
ik had gezet
ik zal gezet hebben
» meer vervoegingen van zetten

Mary begon haar kleren uit te trekken.
Mary begon haar kleren uit te trekken.
Weinig olifanten zouden vrijwillig naar Europa trekken.
Weinig olifanten zouden vrijwillig naar Europa trekken.
zich terugtrekken, aftrekken, terugkrabbelen, de aftocht blazen {ww.}
zich terugtrekken
aftrekken
terugkrabbelen
de aftocht blazen {ww.}

ik heb afgetrokken
jij hebt afgetrokken
hij/zij/het heeft afgetrokken

ik heb afgetrokken
jij hebt afgetrokken
hij/zij/het heeft afgetrokken
» meer vervoegingen van aftrekken

korten, korting geven, aftrekken, afslaan {ww.}
korten
korting geven
aftrekken
afslaan {ww.}

ik heb afgeslagen
jij hebt afgeslagen
hij/zij/het heeft afgeslagen

ik heb gekort
jij hebt gekort
hij/zij/het heeft gekort
» meer vervoegingen van korten

aftrekken {ww.}
aftrekken {ww.}

ik heb afgetrokken
jij hebt afgetrokken
hij/zij/het heeft afgetrokken

ik heb afgetrokken
jij hebt afgetrokken
hij/zij/het heeft afgetrokken
» meer vervoegingen van aftrekken

zich aftrekken, masturberen, aftrekken {ww.}
zich aftrekken
masturberen
aftrekken {ww.}

ik heb afgetrokken
jij hebt afgetrokken
hij/zij/het heeft afgetrokken

ik heb gemasturbeerd
jij hebt gemasturbeerd
hij/zij/het heeft gemasturbeerd
» meer vervoegingen van masturberen

wegtrekken, aftrekken {ww.}
wegtrekken
aftrekken {ww.}

ik heb afgetrokken
ik had afgetrokken
ik zal afgetrokken hebben

ik heb weggetrokken
ik had weggetrokken
ik zal weggetrokken hebben
» meer vervoegingen van wegtrekken

sterven, vergaan, verscheiden, aftrekken {ww.}
sterven
vergaan
verscheiden
aftrekken {ww.}

ik heb afgetrokken
jij hebt afgetrokken
hij/zij/het heeft afgetrokken

ik heb gestorven
jij hebt gestorven
hij/zij/het heeft gestorven
» meer vervoegingen van sterven

Er sterven dagelijks mensen.
Er sterven dagelijks mensen.
Alle mensen moeten sterven.
Alle mensen moeten sterven.
bleekjes, afgetrokken, pips {bn.}
bleekjes
afgetrokken
pips {bn.}