Vertaling van besluit

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
besluit [o], voorschrift, verordening [v], decreet [o] {zn.}
besluit [o]
voorschrift
verordening [v]
decreet [o] {zn.}
Wij hebben om de hieronder vermelde redenen tegen dit besluit gestemd.
Wij hebben om de hieronder vermelde redenen tegen dit besluit gestemd.
einde [o], eind [o], besluit [o], end, beëindiging, voleinding [v] {zn.}
einde [o]
eind [o]
besluit [o]
end
beëindiging
voleinding [v] {zn.}
Eind goed, al goed.
Eind goed, al goed.
Eind goed, al goed.
Eind goed, al goed.
beslissing [v], uitspraak, besluit [o], wijzing [v] {zn.}
beslissing [v]
uitspraak
besluit [o]
wijzing [v] {zn.}
Zijn uitspraak geeft aan dat hij een buitenlander is.
Zijn uitspraak geeft aan dat hij een buitenlander is.
De beklaagde ging zonder aarzelen in beroep tegen de uitspraak.
De beklaagde ging zonder aarzelen in beroep tegen de uitspraak.
beslissen, besluiten, uitmaken, zich voornemen {ww.}
beslissen
besluiten
uitmaken
zich voornemen {ww.}

ik beslis
jij beslist
hij/zij/het beslist

ik beslis
jij beslist
hij/zij/het beslist
» meer vervoegingen van beslissen

afmaken, afsluiten, beëindigen, besluiten, uitmaken, voleindigen {ww.}
afmaken
afsluiten
beëindigen
besluiten
uitmaken
voleindigen {ww.}

ik maak af
jij maakt af
hij/zij/het maakt af

ik maak af
jij maakt af
hij/zij/het maakt af
» meer vervoegingen van afmaken

afleiden, besluiten, concluderen, een gevolgtrekking maken {ww.}
afleiden
besluiten
concluderen
een gevolgtrekking maken {ww.}

ik leid af
jij leidt af
hij/zij/het leidt af

ik leid af
jij leidt af
hij/zij/het leidt af
» meer vervoegingen van afleiden

conclusie [v] (de ~), besluit [v], afleiding, slotsom [m] (de ~), gevolgtrekking [v] (de ~), eindoordeel [o] (het ~), bevinding [v] (de ~) {zn.}
conclusie [v] (de ~)
besluit [v]
afleiding
slotsom [m] (de ~)
gevolgtrekking [v] (de ~)
eindoordeel [o] (het ~)
bevinding [v] (de ~) {zn.}
Ze kwamen tot de conclusie dat hij gelogen had.
Ze kwamen tot de conclusie dat hij gelogen had.
Hij kwam ook met alweer een andere twijfelachtige conclusie aanzetten.
Hij kwam ook met alweer een andere twijfelachtige conclusie aanzetten.
slot, besluit [o] (het ~), finale [m] (de ~), slotstuk {zn.}
slot
besluit [o] (het ~)
finale [m] (de ~)
slotstuk {zn.}
Geef me de sleutel van dit slot!
Geef me de sleutel van dit slot!
Heb je de deur op slot gedaan?
Heb je de deur op slot gedaan?
beslissing [v] (de ~), besluit [o] (het ~), decisie {zn.}
beslissing [v] (de ~)
besluit [o] (het ~)
decisie {zn.}
Je maakte een juiste beslissing.
Je maakte een juiste beslissing.
Ik heb mijn beslissing genomen.
Ik heb mijn beslissing genomen.
vaststelling [v] (de ~), besluit, determinatie [v] (de ~) {zn.}
vaststelling [v] (de ~)
besluit
determinatie [v] (de ~) {zn.}
Ik kwam tot de vaststelling dat ik bedrogen geweest was.
Ik kwam tot de vaststelling dat ik bedrogen geweest was.
stoppen, besluiten, beëindigen, eindigen, afsluiten, termineren {ww.}
stoppen
besluiten
beëindigen
eindigen
afsluiten
termineren {ww.}

ik sluit af
jij sluit af
hij/zij/het sluit af

ik stop
jij stopt
hij/zij/het stopt
» meer vervoegingen van stoppen

Ge moet stoppen met roken.
Ge moet stoppen met roken.
Ge moet stoppen met roken.
Ge moet stoppen met roken.
decideren, resolveren, uitmaken, beschikken, beslissen, besluiten, uitgemaakt {ww.}
decideren
resolveren
uitmaken
beschikken
beslissen
besluiten
uitgemaakt {ww.}

ik beschik
jij beschikt
hij/zij/het beschikt

ik decideer
jij decideert
hij/zij/het decideert
» meer vervoegingen van decideren

afleiden, besluiten, concluderen, opmaken {ww.}
afleiden
besluiten
concluderen
opmaken {ww.}

ik leid af
jij leidt af
hij/zij/het leidt af

ik leid af
jij leidt af
hij/zij/het leidt af
» meer vervoegingen van afleiden