Vertaling van een paar

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
paar, stel, koppel, tweetal, duo [o] {zn.}
paar
stel
koppel
tweetal
duo [o] {zn.}
Ik kocht een paar laarzen.
Ik kocht een paar laarzen.
Hij veranderde een paar woorden.
Hij veranderde een paar woorden.
paar, stel, koppel, tweetal, span, stelletje [o], duo [o] {zn.}
paar
stel
koppel
tweetal
span
stelletje [o]
duo [o] {zn.}
Ze kocht twee paar sokken.
Ze kocht twee paar sokken.
Brian nam een paar rozen.
Brian nam een paar rozen.
paar [o] (het ~) {zn.}
paar [o] (het ~) {zn.}
Een paar jongens kwamen het klaslokaal binnen.
Een paar jongens kwamen het klaslokaal binnen.
paar [o] (het ~) {zn.}
paar [o] (het ~) {zn.}
paar [o] (het ~) {zn.}
paar [o] (het ~) {zn.}
een paar [o], enige, enkele, sommige, wat {bn.}
een paar [o]
enige
enkele
sommige
wat {bn.}
een paar, enige, enkele, sommige, wat
een paar
enige
enkele
sommige
wat
even, paar {bn.}
even
paar {bn.}


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Ik kocht een paar laarzen.

Ik kocht een paar laarzen.

Hij veranderde een paar woorden.

Hij veranderde een paar woorden.

Brian nam een paar rozen.

Brian nam een paar rozen.

Een paar jongens kwamen het klaslokaal binnen.

Een paar jongens kwamen het klaslokaal binnen.

In het mandje zitten een paar appels.

In het mandje zitten een paar appels.

Kunt u ons een paar voorbeelden geven?

Kunt u ons een paar voorbeelden geven?

Hij had een paar potloden moeten kopen.

Hij had een paar potloden moeten kopen.

Ze verbleef er voor een paar dagen.

Ze verbleef er voor een paar dagen.

Tom neemt een paar dagen vrij.

Tom neemt een paar dagen vrij.

We zijn waarschijnlijk een paar dagen weg.

We zijn waarschijnlijk een paar dagen weg.

Mag ik een paar vragen stellen?

Mag ik een paar vragen stellen?

Ik wil een paar lege glazen.

Ik wil een paar lege glazen.

De telefoon ging een paar keer over.

De telefoon ging een paar keer over.

Haar huis staat een paar kilometer hiervandaan.

Haar huis staat een paar kilometer hiervandaan.

Hij heeft Europa een paar keer bezocht.

Hij heeft Europa een paar keer bezocht.


Gerelateerd aan een paar

paar - stel - koppel - tweetal - duo - span - stelletje - enige - enkele - sommige - wat - evenhoeveelheid - tweetal - duo - deelbaar