Vertaling van geslaagd

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
geslaagd {bn.}
geslaagd {bn.}
geslaagd, succesvol {bn.}
geslaagd
succesvol {bn.}
slagen, slagen voor, klaarspelen, doorkomen {ww.}
slagen
slagen voor
klaarspelen
doorkomen {ww.}

ik ben doorgekomen
jij bent doorgekomen
hij/zij/het is doorgekomen

ik ben geslaagd
jij bent geslaagd
hij/zij/het is geslaagd
» meer vervoegingen van slagen

Hij wilde slagen.
Hij wilde slagen.
Ik denk dat hij zal slagen.
Ik denk dat hij zal slagen.
halen, slagen {ww.}
halen
slagen {ww.}

ik heb gehaald
jij hebt gehaald
hij/zij/het heeft gehaald

ik heb gehaald
jij hebt gehaald
hij/zij/het heeft gehaald
» meer vervoegingen van halen

Hij is begerig om te slagen.
Hij is begerig om te slagen.
Ga Tom halen.
Ga Tom halen.
gaan, slagen, lukken, gelukken {ww.}
gaan
slagen
lukken
gelukken {ww.}

ik ben gegaan
jij bent gegaan
hij/zij/het is gegaan

ik ben gegaan
jij bent gegaan
hij/zij/het is gegaan
» meer vervoegingen van gaan

Ik twijfel er niet aan dat het hem zal lukken.
Ik twijfel er niet aan dat het hem zal lukken.
Doe je best en het zal je lukken.
Doe je best en het zal je lukken.
slagen {ww.}
slagen {ww.}

ik ben geslaagd
ik was geslaagd
ik zal geslaagd zijn

ik ben geslaagd
ik was geslaagd
ik zal geslaagd zijn
» meer vervoegingen van slagen

Hij wou slagen, zelfs ten koste van zijn gezondheid.
Hij wou slagen, zelfs ten koste van zijn gezondheid.
Soms moet je falen voordat je kunt slagen.
Soms moet je falen voordat je kunt slagen.
weten, slagen {ww.}
weten
slagen {ww.}

ik ben geslaagd
ik was geslaagd
ik zal geslaagd zijn

ik heb geweten
ik had geweten
ik zal geweten hebben
» meer vervoegingen van weten

Weten ze over ons?
Weten ze over ons?
slagen {ww.}
slagen {ww.}

ik ben geslaagd
ik was geslaagd
ik zal geslaagd zijn

ik ben geslaagd
ik was geslaagd
ik zal geslaagd zijn
» meer vervoegingen van slagen



Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Zijn poging tot ontsnappen was geslaagd.

Zijn poging tot ontsnappen was geslaagd.

Is hij geslaagd voor het examen?

Is hij geslaagd voor het examen?

Is hij geslaagd voor de proef?

Is hij geslaagd voor de proef?

Ondanks alle moeite is hij niet geslaagd in de proef.

Ondanks alle moeite is hij niet geslaagd in de proef.

Ik heb geluk gehad dat ik er in geslaagd ben een goede babysit te vinden.

Ik heb geluk gehad dat ik er in geslaagd ben een goede babysit te vinden.


Gerelateerd aan geslaagd

succesvol - slagen - slagen voor - klaarspelen - doorkomen - halen - gaan - lukken - gelukken - wetengrappig - bereiken - uitdraaien - slagen - verrichten - gelukken - vooruitgaan