Vertaling van slagen

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
slagen, halen {ww.}
slagen
halen {ww.}

ik haal
jij haalt
hij/zij/het haalt

ik slaag
jij slaagt
hij/zij/het slaagt
» meer vervoegingen van slagen

slagen, ros, slaag {zn.}
slagen
ros
slaag {zn.}
Dit is een ros.
Dit is een ros.
Hij wilde slagen.
Hij wilde slagen.
doorkomen, klaarspelen, slagen, slagen voor {ww.}
doorkomen
klaarspelen
slagen
slagen voor {ww.}

ik kom door
jij komt door
hij/zij/het komt door

ik kom door
jij komt door
hij/zij/het komt door
» meer vervoegingen van doorkomen

slagen {ww.}
slagen {ww.}

ik slaag
jij slaagt
hij/zij/het slaagt

ik slaag
jij slaagt
hij/zij/het slaagt
» meer vervoegingen van slagen

slagen {ww.}
slagen {ww.}

ik slaag
jij slaagt
hij/zij/het slaagt

ik slaag
jij slaagt
hij/zij/het slaagt
» meer vervoegingen van slagen

gevecht, kamp, slag (mv. slagen) [m], strijd, treffen, veldslag {zn.}
gevecht
kamp
slag (mv. slagen) [m]
strijd
treffen
veldslag {zn.}
flap [m], houw, klap, mep, slag (mv. slagen) [m] {zn.}
flap [m]
houw
klap
mep
slag (mv. slagen) [m] {zn.}
bedrevenheid [v], handigheid [v], vaardigheid [v], vlugheid [v], slag (mv. slagen) [m] {zn.}
bedrevenheid [v]
handigheid [v]
vaardigheid [v]
vlugheid [v]
slag (mv. slagen) [m] {zn.}
klap, klets, klop, slag (mv. slagen) [m], tik, veeg {zn.}
klap
klets
klop
slag (mv. slagen) [m]
tik
veeg {zn.}
slag (mv. slagen) [m], val, valstrik {zn.}
slag (mv. slagen) [m]
val
valstrik {zn.}
beweging [v], slag (mv. slagen) [m], zet {zn.}
beweging [v]
slag (mv. slagen) [m]
zet {zn.}
greep, inname, slag (mv. slagen) [m], vat [o] {zn.}
greep
inname
slag (mv. slagen) [m]
vat [o] {zn.}
draai [m], wending [v], zwenking [v], gier, keer, slag (mv. slagen) [m], zwaai, zwenk {zn.}
draai [m]
wending [v]
zwenking [v]
gier
keer
slag (mv. slagen) [m]
zwaai
zwenk {zn.}
bezoeking [v], slag (mv. slagen) [m] {zn.}
bezoeking [v]
slag (mv. slagen) [m] {zn.}
aard [m], slag (mv. slagen) [o], soort {zn.}
aard [m]
slag (mv. slagen) [o]
soort {zn.}
houw, klap, schop, slag (mv. slagen) [m], stoot, tik {zn.}
houw
klap
schop
slag (mv. slagen) [m]
stoot
tik {zn.}
weten, slagen {ww.}
weten
slagen {ww.}

ik slaag
jij slaagt
hij/zij/het slaagt

ik weet
jij weet
hij/zij/het weet
» meer vervoegingen van weten

gaan, slagen, lukken, gelukken {ww.}
gaan
slagen
lukken
gelukken {ww.}

ik ga
jij gaat
hij/zij/het gaat

ik ga
jij gaat
hij/zij/het gaat
» meer vervoegingen van gaan

Ik twijfel er niet aan dat het hem zal lukken.
Ik twijfel er niet aan dat het hem zal lukken.
Doe je best en het zal je lukken.
Doe je best en het zal je lukken.
slag (mv. slagen) {zn.}
slag (mv. slagen) {zn.}
slag (mv. slagen) [o] (het ~) {zn.}
slag (mv. slagen) [o] (het ~) {zn.}
handigheid [v] (de ~), slag (mv. slagen) [m] (de ~) {zn.}
handigheid [v] (de ~)
slag (mv. slagen) [m] (de ~) {zn.}
slag (mv. slagen) {zn.}
slag (mv. slagen) {zn.}
slag [m] (de ~), trek [m] (de ~) {zn.}
slag [m] (de ~)
trek [m] (de ~) {zn.}
slag [m] (de ~) {zn.}
slag [m] (de ~) {zn.}
omwenteling [v] (de ~), aswenteling, rotatie [v] (de ~), slag [m] (de ~), toer [m] (de ~) {zn.}
omwenteling [v] (de ~)
aswenteling
rotatie [v] (de ~)
slag [m] (de ~)
toer [m] (de ~) {zn.}
wikkeling, slag [m] (de ~) {zn.}
wikkeling
slag [m] (de ~) {zn.}
slag [o] (het ~) {zn.}
slag [o] (het ~) {zn.}
munterij, muntslag, slag [m] (de ~) {zn.}
munterij
muntslag
slag [m] (de ~) {zn.}
slag [m] (de ~) {zn.}
slag [m] (de ~) {zn.}
slag [m] (de ~) {zn.}
slag [m] (de ~) {zn.}
Ze zijn eindelijk begonnen die weg opnieuw te asfalteren. Het werd ook tijd, zeg! Je kon er alleen nog zigzaggend fietsen als je geen slag in je wiel wilde krijgen van…
Ze zijn eindelijk begonnen die weg opnieuw te asfalteren. Het werd ook tijd, zeg! Je kon er alleen nog zigzaggend fietsen als je geen slag in je wiel wilde krijgen van…
slag [m] (de ~), ondulatie, undulatie, golfbeweging [v] (de ~) {zn.}
slag [m] (de ~)
ondulatie
undulatie
golfbeweging [v] (de ~) {zn.}
slag [m] (de ~) {zn.}
slag [m] (de ~) {zn.}
slag [m] (de ~) {zn.}
slag [m] (de ~) {zn.}
slag [o] (het ~), duivenhok, til [m] (de ~), duiventil [m] (de ~) {zn.}
slag [o] (het ~)
duivenhok
til [m] (de ~)
duiventil [m] (de ~) {zn.}
slag [m] (de ~), klap, schok [m] (de ~) {zn.}
slag [m] (de ~)
klap
schok [m] (de ~) {zn.}
Als je het geel verft, sla je twee vliegen in één klap: én het valt goed op, én je bespaart geld omdat je verf kunt gebruiken die je al in huis hebt.
Als je het geel verft, sla je twee vliegen in één klap: én het valt goed op, én je bespaart geld omdat je verf kunt gebruiken die je al in huis hebt.
slag (mv. slagen) [o] (het ~) {zn.}
slag (mv. slagen) [o] (het ~) {zn.}


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Hij wilde slagen.

Hij wilde slagen.

Ik denk dat hij zal slagen.

Ik denk dat hij zal slagen.

Hij is begerig om te slagen.

Hij is begerig om te slagen.

Hij wou slagen, zelfs ten koste van zijn gezondheid.

Hij wou slagen, zelfs ten koste van zijn gezondheid.

Soms moet je falen voordat je kunt slagen.

Soms moet je falen voordat je kunt slagen.

Hij zou voor het examen kunnen slagen, toch?

Hij zou voor het examen kunnen slagen, toch?