Vertaling van gronden
Inhoud:
Nederlands
Nederlands
gronden, baseren {ww.}
gronden
baseren {ww.}
baseren {ww.}
ik baseer
jij baseert
hij/zij/het baseert
ik grond
jij grondt
hij/zij/het grondt
» meer vervoegingen van gronden
grondverven, gronden {ww.}
grondverven
gronden {ww.}
gronden {ww.}
ik grond
jij grondt
hij/zij/het grondt
ik grondverf
jij grondverft
hij/zij/het grondverft
» meer vervoegingen van grondverven
gronden {ww.}
gronden {ww.}
ik grond
jij grondt
hij/zij/het grondt
ik grond
jij grondt
hij/zij/het grondt
» meer vervoegingen van gronden
bodem , achtergrond , grond (mv. gronden) , ondergrond {zn.}
bodem
achtergrond
grond (mv. gronden)
ondergrond {zn.}
achtergrond
grond (mv. gronden)
ondergrond {zn.}
aarde , aardrijk , bodem , grond (mv. gronden) , land , aardbodem {zn.}
aarde
aardrijk
bodem
grond (mv. gronden)
land
aardbodem {zn.}
aardrijk
bodem
grond (mv. gronden)
land
aardbodem {zn.}
basis, grond (mv. gronden) , grondslag, grondvlak {zn.}
basis
grond (mv. gronden)
grondslag
grondvlak {zn.}
grond (mv. gronden)
grondslag
grondvlak {zn.}
aarde , bodem , fond , grond (mv. gronden) , ondergrond, voedingsbodem {zn.}
aarde
bodem
fond
grond (mv. gronden)
ondergrond
voedingsbodem {zn.}
bodem
fond
grond (mv. gronden)
ondergrond
voedingsbodem {zn.}
funderen, gronden, baseren, onderbouwen, argumenteren, beargumenteren {ww.}
funderen
gronden
baseren
onderbouwen
argumenteren
beargumenteren {ww.}
gronden
baseren
onderbouwen
argumenteren
beargumenteren {ww.}
ik argumenteer
jij argumenteert
hij/zij/het argumenteert
ik fundeer
jij fundeert
hij/zij/het fundeert
» meer vervoegingen van funderen
voet , grond , ondergrond , grondslag , substantie , basis , pijler, initia, hoeksteen, fundament {zn.}
voet
grond
ondergrond
grondslag
substantie
basis
pijler
initia
hoeksteen
fundament {zn.}
grond
ondergrond
grondslag
substantie
basis
pijler
initia
hoeksteen
fundament {zn.}
Ik ga te voet naar school.
Ik ga te voet naar school.
De jongen stond expres op mijn voet.
De jongen stond expres op mijn voet.
grond {zn.}
grond {zn.}
De plank vroor aan de grond vast.
De plank vroor aan de grond vast.
De oude man viel op de grond.
De oude man viel op de grond.
aarde , grond {zn.}
aarde
grond {zn.}
grond {zn.}
De aarde is rond.
De aarde is rond.
Marsmannetjes hebben de aarde veroverd.
Marsmannetjes hebben de aarde veroverd.
aarde , grond , bodem , aardbodem {zn.}
aarde
grond
bodem
aardbodem {zn.}
grond
bodem
aardbodem {zn.}
Voelde je de aarde bewegen?
Voelde je de aarde bewegen?
Waar is de mooiste plaats op aarde?
Waar is de mooiste plaats op aarde?
kern , essentialia, essentie , grond (mv. gronden), hoofdpunt , hoofdzaak , hypostase, kernpunt, kwintessens , zwaartepunt , wezen , primaat , substantie {zn.}
kern
essentialia
essentie
grond (mv. gronden)
hoofdpunt
hoofdzaak
hypostase
kernpunt
kwintessens
zwaartepunt
wezen
primaat
substantie {zn.}
essentialia
essentie
grond (mv. gronden)
hoofdpunt
hoofdzaak
hypostase
kernpunt
kwintessens
zwaartepunt
wezen
primaat
substantie {zn.}
motief , beweeggrond, beweegreden , considerans, drijfveer , grond (mv. gronden), overweging , ratio , afweging , motivatie , consideratie {zn.}
motief
beweeggrond
beweegreden
considerans
drijfveer
grond (mv. gronden)
overweging
ratio
afweging
motivatie
consideratie {zn.}
beweeggrond
beweegreden
considerans
drijfveer
grond (mv. gronden)
overweging
ratio
afweging
motivatie
consideratie {zn.}