Vertaling van kort

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
kort, kortstondig {bn.}
kort
kortstondig {bn.}
beknopt, bondig, kernachtig, kort, summier, zakelijk {bn.}
beknopt
bondig
kernachtig
kort
summier
zakelijk {bn.}
kort {bn.}
kort {bn.}
een moment, kort, korte tijd {bw.}
een moment
kort
korte tijd {bw.}
een moment, kort, korte tijd {bw.}
een moment
kort
korte tijd {bw.}
korten, aftrekken, inhouden, aftellen {ww.}
korten
aftrekken
inhouden
aftellen {ww.}

ik tel af
jij telt af
hij/zij/het telt af

ik kort
jij kort
hij/zij/het kort
» meer vervoegingen van korten

De student besloot zijn paper in te korten door de overbodige details eruit te halen.
De student besloot zijn paper in te korten door de overbodige details eruit te halen.
korten, korting geven, aftrekken, afslaan {ww.}
korten
korting geven
aftrekken
afslaan {ww.}

ik sla af
jij slaat af
hij/zij/het slaat af

ik kort
jij kort
hij/zij/het kort
» meer vervoegingen van korten

korten, inkrimpen, krimpen {ww.}
korten
inkrimpen
krimpen {ww.}

ik krimp in
jij krimpt in
hij/zij/het krimpt in

ik kort
jij kort
hij/zij/het kort
» meer vervoegingen van korten

kortstondig, kortdurend, kort {bn.}
kortstondig
kortdurend
kort {bn.}
korten, bekorten, verkorten, inkorten {ww.}
korten
bekorten
verkorten
inkorten {ww.}

ik bekort
jij bekort
hij/zij/het bekort

ik kort
jij kort
hij/zij/het kort
» meer vervoegingen van korten

korten {ww.}
korten {ww.}

ik kort
jij kort
hij/zij/het kort

ik kort
jij kort
hij/zij/het kort
» meer vervoegingen van korten


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Ik ben erg kort.

Ik ben erg kort.

Ze heeft kort haar.

Ze heeft kort haar.

Het leven is kort.

Het leven is kort.

Maak het kort.

Maak het kort.

Tom heeft een kort lontje.

Tom heeft een kort lontje.

Kort haar vind ik leuk.

Kort haar vind ik leuk.

Haar haar is heel kort.

Haar haar is heel kort.

Hij liet zijn haar kort knippen.

Hij liet zijn haar kort knippen.

Het leven van Mozart was heel kort.

Het leven van Mozart was heel kort.

Het leven is te kort om Duits te leren.

Het leven is te kort om Duits te leren.

Mijn moeder was tot voor kort in het ziekenhuis.

Mijn moeder was tot voor kort in het ziekenhuis.

Mijn moeder heeft mijn haar te kort geknipt.

Mijn moeder heeft mijn haar te kort geknipt.

De kunst is lang, het leven is kort.

De kunst is lang, het leven is kort.

Hij heeft twee potloden; het ene is lang en het andere kort.

Hij heeft twee potloden; het ene is lang en het andere kort.

De hond die het kind had gebeten werd kort nadien gevangen.

De hond die het kind had gebeten werd kort nadien gevangen.