Vertaling van moment

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
moment, ogenblik, tel [m], tijdstip, wip, wijl, oogwenk {zn.}
moment
ogenblik
tel [m]
tijdstip
wip
wijl
oogwenk {zn.}
Wacht tot ik tot tien tel.
Wacht tot ik tot tien tel.
Voor het ogenblik ben ik op dieet.
Voor het ogenblik ben ik op dieet.
moment {zn.}
moment {zn.}
Een aardbeving kan elk moment gebeuren.
Een aardbeving kan elk moment gebeuren.
We glimlachten beiden op bijna hetzelfde moment.
We glimlachten beiden op bijna hetzelfde moment.
moment [o] (het ~), gebeuren [o] (het ~), gebeurtenis [v] (de ~), evenement [o] (het ~), happening [m] (de ~) {zn.}
moment [o] (het ~)
gebeuren [o] (het ~)
gebeurtenis [v] (de ~)
evenement [o] (het ~)
happening [m] (de ~) {zn.}
Dat zal niet gebeuren.
Dat zal niet gebeuren.
Zoiets kan in Japan niet gebeuren.
Zoiets kan in Japan niet gebeuren.
moment [o] (het ~), punt [o] (het ~), minuut, ogenblik [o] (het ~), tel [m] (de ~), seconde {zn.}
moment [o] (het ~)
punt [o] (het ~)
minuut
ogenblik [o] (het ~)
tel [m] (de ~)
seconde {zn.}
Hij kan er elke seconde zijn.
Hij kan er elke seconde zijn.
Die klok loopt één minuut voor.
Die klok loopt één minuut voor.
tijd [m] (de ~), uur [o] (het ~), moment [o] (het ~), ogenblik [o] (het ~), tijdstip [o] (het ~), ure, stonde [m] (de ~) {zn.}
tijd [m] (de ~)
uur [o] (het ~)
moment [o] (het ~)
ogenblik [o] (het ~)
tijdstip [o] (het ~)
ure
stonde [m] (de ~) {zn.}
Het uur is er", "Het is tijd
Het uur is er", "Het is tijd
Het uur vlucht, de tijd vliegt
Het uur vlucht, de tijd vliegt


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Een aardbeving kan elk moment gebeuren.

Een aardbeving kan elk moment gebeuren.

We glimlachten beiden op bijna hetzelfde moment.

We glimlachten beiden op bijna hetzelfde moment.

Op dat moment was ik nog wakker.

Op dat moment was ik nog wakker.

Mag ik je een moment storen?

Mag ik je een moment storen?

Aardbevingen kunnen zich op elk moment voordoen.

Aardbevingen kunnen zich op elk moment voordoen.

Heb je het druk op het moment?

Heb je het druk op het moment?

Ik ben iemand die leeft bij het moment.

Ik ben iemand die leeft bij het moment.

Het gebouw is op het moment in aanbouw.

Het gebouw is op het moment in aanbouw.

Ik ben op dit moment op de campus.

Ik ben op dit moment op de campus.

Op dit moment ben ik een bier aan het drinken.

Op dit moment ben ik een bier aan het drinken.

Ze is op dit moment in het ziekenhuis.

Ze is op dit moment in het ziekenhuis.

Het grootste probleem van het moment is werkloosheid.

Het grootste probleem van het moment is werkloosheid.

Mijn vader is niet thuis op het moment.

Mijn vader is niet thuis op het moment.

Dit is het beslissende moment. Het is nu of nooit.

Dit is het beslissende moment. Het is nu of nooit.

We hebben het op het moment erg druk.

We hebben het op het moment erg druk.


Gerelateerd aan moment

ogenblik - tel - tijdstip - wip - wijl - oogwenk - gebeuren - gebeurtenis - evenement - happening - punt - minuut - seconde - tijd - uurgebeurtenis - tijdstip - tijd