Vertaling van wip

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
wip, bascule {zn.}
wip
bascule {zn.}
moment, ogenblik, tel [m], tijdstip, wip, wijl, oogwenk {zn.}
moment
ogenblik
tel [m]
tijdstip
wip
wijl
oogwenk {zn.}
Wacht tot ik tot tien tel.
Wacht tot ik tot tien tel.
Voor het ogenblik ben ik op dieet.
Voor het ogenblik ben ik op dieet.
vrijpartijtje [o], wip, nummertje [o] {zn.}
vrijpartijtje [o]
wip
nummertje [o] {zn.}
nummertje [o], wip, geslachtsdaad [v] {zn.}
nummertje [o]
wip
geslachtsdaad [v] {zn.}
wipplank, wip {zn.}
wipplank
wip {zn.}
kappen, vellen, neervellen, wippen {ww.}
kappen
vellen
neervellen
wippen {ww.}

ik kap
jij kapt
hij/zij/het kapt

ik kap
jij kapt
hij/zij/het kapt
» meer vervoegingen van kappen

naaien, wippen, vozen, neuken, copuleren {ww.}
naaien
wippen
vozen
neuken
copuleren {ww.}

ik copuleer
jij copuleert
hij/zij/het copuleert

ik naai
jij naait
hij/zij/het naait
» meer vervoegingen van naaien

Ze kan heel goed naaien.
Ze kan heel goed naaien.
wippen {ww.}
wippen {ww.}

ik wip
jij wipt
hij/zij/het wipt

ik wip
jij wipt
hij/zij/het wipt
» meer vervoegingen van wippen

balanceren, hobbelen, schommelen, wiegelen, wiegen, wippen {ww.}
balanceren
hobbelen
schommelen
wiegelen
wiegen
wippen {ww.}

ik balanceer
jij balanceert
hij/zij/het balanceert

ik balanceer
jij balanceert
hij/zij/het balanceert
» meer vervoegingen van balanceren

wippen {ww.}
wippen {ww.}

ik wip
jij wipt
hij/zij/het wipt

ik wip
jij wipt
hij/zij/het wipt
» meer vervoegingen van wippen

ontslaan, wippen {ww.}
ontslaan
wippen {ww.}

ik ontsla
jij ontslaat
hij/zij/het ontslaat

ik ontsla
jij ontslaat
hij/zij/het ontslaat
» meer vervoegingen van ontslaan

wippen {ww.}
wippen {ww.}

ik wip
jij wipt
hij/zij/het wipt

ik wip
jij wipt
hij/zij/het wipt
» meer vervoegingen van wippen

wippen {ww.}
wippen {ww.}

ik wip
jij wipt
hij/zij/het wipt

ik wip
jij wipt
hij/zij/het wipt
» meer vervoegingen van wippen

vrijen, bedvogelen, bibberen, bonken, bonzen, coïteren, cohabiteren, emmeren, flensen, fleppen, fokken, ketsen, kezen, kieren, knarren, neuken, pompen, rampetampen, soppen, vogelen, vozen, slapen, poepen, rollebollen, seksen, figuurzagen, wippen, palen, rammen, naaien {ww.}
vrijen
bedvogelen
bibberen
bonken
bonzen
coïteren
cohabiteren
emmeren
flensen
fleppen
fokken
ketsen
kezen
kieren
knarren
neuken
pompen
rampetampen
soppen
vogelen
vozen
slapen
poepen
rollebollen
seksen
figuurzagen
wippen
palen
rammen
naaien {ww.}

ik bibber
jij bibbert
hij/zij/het bibbert

ik vrij
jij vrijt
hij/zij/het vrijt
» meer vervoegingen van vrijen

wippen {ww.}
wippen {ww.}

ik wip
jij wipt
hij/zij/het wipt

ik wip
jij wipt
hij/zij/het wipt
» meer vervoegingen van wippen

wippen {ww.}
wippen {ww.}

ik wip
jij wipt
hij/zij/het wipt

ik wip
jij wipt
hij/zij/het wipt
» meer vervoegingen van wippen

wippen {ww.}
wippen {ww.}

ik wip
jij wipt
hij/zij/het wipt

ik wip
jij wipt
hij/zij/het wipt
» meer vervoegingen van wippen