Vertaling van oppassen

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
oppassen, opletten, passen op, letten op, acht slaan op {ww.}
oppassen
opletten
passen op
letten op
acht slaan op {ww.}

ik zal opletten
ik zou opletten
jij zult opletten

ik zal oppassen
ik zou oppassen
jij zult oppassen
» meer vervoegingen van oppassen

Jullie moeten beter opletten wat jullie zeggen.
Jullie moeten beter opletten wat jullie zeggen.
Laten de consuls oppassen
Laten de consuls oppassen
oppassen, letten, opletten, uitkijken {ww.}
oppassen
letten
opletten
uitkijken {ww.}

ik zal letten
ik zou letten
jij zult letten

ik zal oppassen
ik zou oppassen
jij zult oppassen
» meer vervoegingen van oppassen

We moeten op het stoplicht letten.
We moeten op het stoplicht letten.
We moeten op onze gezondheid letten.
We moeten op onze gezondheid letten.
verzorgen, oppassen {ww.}
verzorgen
oppassen {ww.}

ik zal oppassen
ik zou oppassen
jij zult oppassen

ik zal verzorgen
ik zou verzorgen
jij zult verzorgen
» meer vervoegingen van verzorgen

Verplegers verzorgen zieken.
Verplegers verzorgen zieken.
Je moet oppassen voor het verkeer als je de straat oversteekt.
Je moet oppassen voor het verkeer als je de straat oversteekt.
oppassen {ww.}
oppassen {ww.}

ik zal oppassen
ik zou oppassen
jij zult oppassen

ik zal oppassen
ik zou oppassen
jij zult oppassen
» meer vervoegingen van oppassen

oppassen {ww.}
oppassen {ww.}

ik zal oppassen
ik zou oppassen
jij zult oppassen

ik zal oppassen
ik zou oppassen
jij zult oppassen
» meer vervoegingen van oppassen

verzorgen, oppassen {ww.}
verzorgen
oppassen {ww.}

ik zal oppassen
ik zou oppassen
jij zult oppassen

ik zal verzorgen
ik zou verzorgen
jij zult verzorgen
» meer vervoegingen van verzorgen

Ze moest haar zus verzorgen.
Ze moest haar zus verzorgen.
wachten, oppassen, waken, hoeden {ww.}
wachten
oppassen
waken
hoeden {ww.}

ik zal hoeden
jij zult hoeden
hij/zij/het zal hoeden

ik zal wachten
jij zult wachten
hij/zij/het zal wachten
» meer vervoegingen van wachten

Het werk kan wachten.
Het werk kan wachten.
Hij zal op je wachten.
Hij zal op je wachten.
kinderoppas [m] (de ~), oppas [m] (de ~) {zn.}
kinderoppas [m] (de ~)
oppas [m] (de ~) {zn.}


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Laten de consuls oppassen

Laten de consuls oppassen

Je moet oppassen voor het verkeer als je de straat oversteekt.

Je moet oppassen voor het verkeer als je de straat oversteekt.


Gerelateerd aan oppassen

opletten - passen op - letten op - acht slaan op - letten - uitkijken - verzorgen - wachten - waken - hoeden - kinderoppas - oppasblikken - zorgen - passen - gerieven - achten - toezichthouder