Vertaling van opstappen

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
opstappen {ww.}
opstappen {ww.}

ik zal opstappen
ik zou opstappen
jij zult opstappen

ik zal opstappen
ik zou opstappen
jij zult opstappen
» meer vervoegingen van opstappen

weggaan, op weg gaan, tijgen, opstappen {ww.}
weggaan
op weg gaan
tijgen
opstappen {ww.}

ik zal opstappen
ik zou opstappen
jij zult opstappen

ik zal weggaan
ik zou weggaan
jij zult weggaan
» meer vervoegingen van weggaan

Laten we weggaan.
Laten we weggaan.
Ik wil weggaan.
Ik wil weggaan.
opstappen {ww.}
opstappen {ww.}

ik zal opstappen
ik zou opstappen
jij zult opstappen

ik zal opstappen
ik zou opstappen
jij zult opstappen
» meer vervoegingen van opstappen

opstappen {ww.}
opstappen {ww.}

ik zal opstappen
ik zou opstappen
jij zult opstappen

ik zal opstappen
ik zou opstappen
jij zult opstappen
» meer vervoegingen van opstappen

instappen, opstappen {ww.}
instappen
opstappen {ww.}

ik zal instappen
jij zult instappen
hij/zij/het zal instappen

ik zal instappen
jij zult instappen
hij/zij/het zal instappen
» meer vervoegingen van instappen

Hoe laat begint het instappen?
Hoe laat begint het instappen?
gaan, vertrekken, weggaan, ophoepelen, opkrassen, wegwezen, moven, opsodemieteren, oprukken, oprotten, aftaaien, opstappen, heengaan, opkramen, opflikkeren, opduvelen, opdonderen, nokken, oplazeren, opmieteren, opbreken, afnokken {ww.}
gaan
vertrekken
weggaan
ophoepelen
opkrassen
wegwezen
moven
opsodemieteren
oprukken
oprotten
aftaaien
opstappen
heengaan
opkramen
opflikkeren
opduvelen
opdonderen
nokken
oplazeren
opmieteren
opbreken
afnokken {ww.}

ik zal afnokken
ik zou afnokken
jij zult afnokken

ik zal gaan
ik zou gaan
jij zult gaan
» meer vervoegingen van gaan

We gaan morgen vertrekken.
We gaan morgen vertrekken.
Ze gaan vertrekken naar New York.
Ze gaan vertrekken naar New York.


Gerelateerd aan opstappen

weggaan - op weg gaan - tijgen - instappen - gaan - vertrekken - ophoepelen - opkrassen - wegwezen - moven - opsodemieteren - oprukken - oprotten - aftaaien - heengaanbinnengaan - klimmen - gaan