Vertaling van pit

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
pit [v], kern [v] {zn.}
pit [v]
kern [v] {zn.}
korrel, zaadkorrel, pit [v] {zn.}
korrel
zaadkorrel
pit [v] {zn.}
Met een korrel zout
Met een korrel zout
pit {zn.}
pit {zn.}
pit {zn.}
pit {zn.}
lampepit, lont, pit [v], kousje [o] {zn.}
lampepit
lont
pit [v]
kousje [o] {zn.}
pit [m] (de ~) {zn.}
pit [m] (de ~) {zn.}
pit [m] (de ~) {zn.}
pit [m] (de ~) {zn.}
pit [m] (de ~), brander [m] (de ~) {zn.}
pit [m] (de ~)
brander [m] (de ~) {zn.}
maffen, slapen, pitten {ww.}
maffen
slapen
pitten {ww.}

ik maf
jij maft
hij/zij/het maft

ik maf
jij maft
hij/zij/het maft
» meer vervoegingen van maffen

energie [v] (de ~), pep [m] (de ~), stootkracht [m] (de ~), puf [v] (de ~), slagkracht [m] (de ~), pit [m] (de/het ~), kloekheid, geestkracht, fut [m] (de ~), daadkracht [m] (de ~) {zn.}
energie [v] (de ~)
pep [m] (de ~)
stootkracht [m] (de ~)
puf [v] (de ~)
slagkracht [m] (de ~)
pit [m] (de/het ~)
kloekheid
geestkracht
fut [m] (de ~)
daadkracht [m] (de ~) {zn.}
Koffie geeft je energie!
Koffie geeft je energie!
Ik heb geen energie vandaag.
Ik heb geen energie vandaag.
pitten {ww.}
pitten {ww.}

ik pit
jij pit
hij/zij/het pit

ik pit
jij pit
hij/zij/het pit
» meer vervoegingen van pitten

ontpitten, pitten {ww.}
ontpitten
pitten {ww.}

ik ontpit
jij ontpit
hij/zij/het ontpit

ik ontpit
jij ontpit
hij/zij/het ontpit
» meer vervoegingen van ontpitten

bronzen, keveren, knorren, maffen, pitten, slapen, snurken, slapend, meuren, rusten {ww.}
bronzen
keveren
knorren
maffen
pitten
slapen
snurken
slapend
meuren
rusten {ww.}

ik brons
jij bronst
hij/zij/het bronst

ik brons
jij bronst
hij/zij/het bronst
» meer vervoegingen van bronzen



Gerelateerd aan pit

kern - korrel - zaadkorrel - lampepit - lont - kousje - brander - maffen - slapen - pitten - energie - pep - stootkracht - puf - slagkrachtpost - merg - kern - draad - toestel - lichaamskracht - toneelspelen - ontdoen - zitten