Vertaling van stop

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
stop, smeltzekering [v], zekering [v] {zn.}
stop
smeltzekering [v]
zekering [v] {zn.}
Stop!
Stop!
Stop met praten en luister.
Stop met praten en luister.
stop, stekker, tap, stopmiddel, prop, plug {zn.}
stop
stekker
tap
stopmiddel
prop
plug {zn.}
Trek de stekker van de televisie eruit en doe het licht uit.
Trek de stekker van de televisie eruit en doe het licht uit.
Stop met me steeds te bekritiseren!
Stop met me steeds te bekritiseren!
stop {tw}
stop {tw}
stop, verstelgoed, opgezet stuk, lapwerk, lap, ingezet stuk {zn.}
stop
verstelgoed
opgezet stuk
lapwerk
lap
ingezet stuk {zn.}
Stop met spreken en luister naar mij.
Stop met spreken en luister naar mij.
stop [m] (de ~) {zn.}
stop [m] (de ~) {zn.}
stop [m] (de ~), smeltdraad, smeltstop, zekering [v] (de ~) {zn.}
stop [m] (de ~)
smeltdraad
smeltstop
zekering [v] (de ~) {zn.}
stop [m] (de ~) {zn.}
stop [m] (de ~) {zn.}
stop [m] (de ~) {zn.}
stop [m] (de ~) {zn.}
stop [m] (de ~) {zn.}
stop [m] (de ~) {zn.}
stoppen {ww.}
stoppen {ww.}

ik stop
jij stopt
hij/zij/het stopt

ik stop
jij stopt
hij/zij/het stopt
» meer vervoegingen van stoppen

aanhouden, keren, stilleggen, stilzetten, stoppen, stuiten {ww.}
aanhouden
keren
stilleggen
stilzetten
stoppen
stuiten {ww.}

ik houd aan
jij houdt aan
hij/zij/het houdt aan

ik houd aan
jij houdt aan
hij/zij/het houdt aan
» meer vervoegingen van aanhouden

constipatie veroorzaken, stoppen, verstoppen {ww.}
constipatie veroorzaken
stoppen
verstoppen {ww.}

ik stop
jij stopt
hij/zij/het stopt

ik stop
jij stopt
hij/zij/het stopt
» meer vervoegingen van stoppen

dichten, dichtmaken, stoppen, toestoppen, verstoppen, volstoppen {ww.}
dichten
dichtmaken
stoppen
toestoppen
verstoppen
volstoppen {ww.}

ik dicht
jij dicht
hij/zij/het dicht

ik dicht
jij dicht
hij/zij/het dicht
» meer vervoegingen van dichten

leggen, steken, plaatsen, stellen, stoppen, zetten, doen {ww.}
leggen
steken
plaatsen
stellen
stoppen
zetten
doen {ww.}

ik doe
jij doet
hij/zij/het doet

ik leg
jij legt
hij/zij/het legt
» meer vervoegingen van leggen

aflaten, ophouden, stoppen, uitscheiden, wijken {ww.}
aflaten
ophouden
stoppen
uitscheiden
wijken {ww.}

ik laat af
jij laat af
hij/zij/het laat af

ik laat af
jij laat af
hij/zij/het laat af
» meer vervoegingen van aflaten

dempen, vullen, invullen, spekken, stoppen, volmaken, volschenken {ww.}
dempen
vullen
invullen
spekken
stoppen
volmaken
volschenken {ww.}

ik demp
jij dempt
hij/zij/het dempt

ik demp
jij dempt
hij/zij/het dempt
» meer vervoegingen van dempen

boeten, flikken, lappen, oplappen, stoppen, verstellen {ww.}
boeten
flikken
lappen
oplappen
stoppen
verstellen {ww.}

ik boet
jij boet
hij/zij/het boet

ik boet
jij boet
hij/zij/het boet
» meer vervoegingen van boeten

afslaan, blijven staan, halt houden, stilhouden, stilstaan, stoppen {ww.}
afslaan
blijven staan
halt houden
stilhouden
stilstaan
stoppen {ww.}

ik sla af
jij slaat af
hij/zij/het slaat af

ik sla af
jij slaat af
hij/zij/het slaat af
» meer vervoegingen van afslaan

afbreken, opbreken, opheffen, staken, stelpen, stoppen, stopzetten {ww.}
afbreken
opbreken
opheffen
staken
stelpen
stoppen
stopzetten {ww.}

ik breek af
jij breekt af
hij/zij/het breekt af

ik breek af
jij breekt af
hij/zij/het breekt af
» meer vervoegingen van afbreken



Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Stop!

Stop!

Stop met praten en luister.

Stop met praten en luister.

Stop met me steeds te bekritiseren!

Stop met me steeds te bekritiseren!

Stop met spreken en luister naar mij.

Stop met spreken en luister naar mij.