Vertaling van variëren

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
variëren {ww.}
variëren {ww.}

ik varieer
jij varieert
hij/zij/het varieert

ik varieer
jij varieert
hij/zij/het varieert
» meer vervoegingen van variëren

variëren {ww.}
variëren {ww.}

ik varieer
jij varieert
hij/zij/het varieert

ik varieer
jij varieert
hij/zij/het varieert
» meer vervoegingen van variëren

variëren {ww.}
variëren {ww.}

ik varieer
jij varieert
hij/zij/het varieert

ik varieer
jij varieert
hij/zij/het varieert
» meer vervoegingen van variëren

werken, variëren, afwisselen {ww.}
werken
variëren
afwisselen {ww.}

ik wissel af
jij wisselt af
hij/zij/het wisselt af

ik werk
jij werkt
hij/zij/het werkt
» meer vervoegingen van werken

Een mens moet werken.
Een mens moet werken.
Het plan zal werken.
Het plan zal werken.
wisselen, variëren, fluctueren {ww.}
wisselen
variëren
fluctueren {ww.}

hij/zij/het fluctueert
zij fluctueren
ik varieer

hij/zij/het wisselt
zij wisselen
ik wissel
» meer vervoegingen van wisselen

Laten we van plaats wisselen.
Laten we van plaats wisselen.
Zou het mogelijk zijn met mij van kamer te wisselen?
Zou het mogelijk zijn met mij van kamer te wisselen?
veranderen, gewijzigd, wijzigen, omzetten, variëren, modificeren, herscheppen {ww.}
veranderen
gewijzigd
wijzigen
omzetten
variëren
modificeren
herscheppen {ww.}

ik herschep
jij herschept
hij/zij/het herschept

ik verander
jij verandert
hij/zij/het verandert
» meer vervoegingen van veranderen

Moeten we de vlag veranderen?
Moeten we de vlag veranderen?
Ik wil mijn leven veranderen.
Ik wil mijn leven veranderen.


Gerelateerd aan variëren

werken - afwisselen - wisselen - fluctueren - veranderen - gewijzigd - wijzigen - omzetten - modificeren - herscheppenbewerken - musiceren - veranderen - veroorzaken