Vertaling van veeg

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
veeg {bn.}
veeg {bn.}
veeg {zn.}
veeg {zn.}
veeg {zn.}
veeg {zn.}
slag [m], klap, veeg, tik, klop, klets {zn.}
slag [m]
klap
veeg
tik
klop
klets {zn.}
Als je het geel verft, sla je twee vliegen in één klap: én het valt goed op, én je bespaart geld omdat je verf kunt gebruiken die je al in huis hebt.
Als je het geel verft, sla je twee vliegen in één klap: én het valt goed op, én je bespaart geld omdat je verf kunt gebruiken die je al in huis hebt.
Ze zijn eindelijk begonnen die weg opnieuw te asfalteren. Het werd ook tijd, zeg! Je kon er alleen nog zigzaggend fietsen als je geen slag in je wiel wilde krijgen van…
Ze zijn eindelijk begonnen die weg opnieuw te asfalteren. Het werd ook tijd, zeg! Je kon er alleen nog zigzaggend fietsen als je geen slag in je wiel wilde krijgen van…
onheilspellend, sinister, veeg {bn.}
onheilspellend
sinister
veeg {bn.}
vegen, schoonmaken, zuiveren, reinigen, louteren {ww.}
vegen
schoonmaken
zuiveren
reinigen
louteren {ww.}

ik louter
jij loutert
hij/zij/het loutert

ik veeg
jij veegt
hij/zij/het veegt
» meer vervoegingen van vegen

Nieuwe bezems vegen schoon.
Nieuwe bezems vegen schoon.
Mary wil het huis vegen.
Mary wil het huis vegen.
vegen, schoonvegen, opvegen, aanvegen, bezemen {ww.}
vegen
schoonvegen
opvegen
aanvegen
bezemen {ww.}

ik veeg aan
jij veegt aan
hij/zij/het veegt aan

ik veeg
jij veegt
hij/zij/het veegt
» meer vervoegingen van vegen

"Waar ben je precies, Dima?!" vroeg Al-Sayib, terwijl hij een handdoek pakte om de gemorste Fanta weg te vegen.
"Waar ben je precies, Dima?!" vroeg Al-Sayib, terwijl hij een handdoek pakte om de gemorste Fanta weg te vegen.
vegen {ww.}
vegen {ww.}

ik veeg
jij veegt
hij/zij/het veegt

ik veeg
jij veegt
hij/zij/het veegt
» meer vervoegingen van vegen

afdrogen, vegen, afvegen, wissen, afwissen {ww.}
afdrogen
vegen
afvegen
wissen
afwissen {ww.}

ik droog af
jij droogt af
hij/zij/het droogt af

ik droog af
jij droogt af
hij/zij/het droogt af
» meer vervoegingen van afdrogen

vegen, wissen {ww.}
vegen
wissen {ww.}

ik veeg
jij veegt
hij/zij/het veegt

ik veeg
jij veegt
hij/zij/het veegt
» meer vervoegingen van vegen

vegen {ww.}
vegen {ww.}

ik veeg
jij veegt
hij/zij/het veegt

ik veeg
jij veegt
hij/zij/het veegt
» meer vervoegingen van vegen

vegen, uitvegen, schoonvegen {ww.}
vegen
uitvegen
schoonvegen {ww.}

ik veeg schoon
jij veegt schoon
hij/zij/het veegt schoon

ik veeg
jij veegt
hij/zij/het veegt
» meer vervoegingen van vegen



Gerelateerd aan veeg

slag - klap - tik - klop - klets - onheilspellend - sinister - vegen - schoonmaken - zuiveren - reinigen - louteren - schoonvegen - opvegen - aanvegenwrijven - reinigen - glijden