Vertaling van tik

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
tik, tikje [o] {zn.}
tik
tikje [o] {zn.}
slag [m], klap, veeg, tik, klop, klets {zn.}
slag [m]
klap
veeg
tik
klop
klets {zn.}
Als je het geel verft, sla je twee vliegen in één klap: én het valt goed op, én je bespaart geld omdat je verf kunt gebruiken die je al in huis hebt.
Als je het geel verft, sla je twee vliegen in één klap: én het valt goed op, én je bespaart geld omdat je verf kunt gebruiken die je al in huis hebt.
Ze zijn eindelijk begonnen die weg opnieuw te asfalteren. Het werd ook tijd, zeg! Je kon er alleen nog zigzaggend fietsen als je geen slag in je wiel wilde krijgen van…
Ze zijn eindelijk begonnen die weg opnieuw te asfalteren. Het werd ook tijd, zeg! Je kon er alleen nog zigzaggend fietsen als je geen slag in je wiel wilde krijgen van…
tik [m] (de ~), tic [m] (de ~) {zn.}
tik [m] (de ~)
tic [m] (de ~) {zn.}
stoot, slag [m], klap, tik, schop, houw {zn.}
stoot
slag [m]
klap
tik
schop
houw {zn.}
Een ezel stoot zich in 't gemeen geen tweemaal aan dezelfde steen.
Een ezel stoot zich in 't gemeen geen tweemaal aan dezelfde steen.
Een ezel stoot zich geen twee keer aan dezelfde steen
Een ezel stoot zich geen twee keer aan dezelfde steen
tik [m] (de ~), tikje, pets [m] (de ~), pats, mep [m] (de ~), klets [m] (de ~) {zn.}
tik [m] (de ~)
tikje
pets [m] (de ~)
pats
mep [m] (de ~)
klets [m] (de ~) {zn.}
tik [m] (de ~) {zn.}
tik [m] (de ~) {zn.}
tikken, typen, machineschrijven {ww.}
tikken
typen
machineschrijven {ww.}

ik tik
jij tikt
hij/zij/het tikt

ik tik
jij tikt
hij/zij/het tikt
» meer vervoegingen van tikken

Hé, jij kunt tikken zonder te kijken naar het toetsenbord. Cool zeg!
Hé, jij kunt tikken zonder te kijken naar het toetsenbord. Cool zeg!
Jij kan toch typen?
Jij kan toch typen?
tikken {ww.}
tikken {ww.}

ik tik
jij tikt
hij/zij/het tikt

ik tik
jij tikt
hij/zij/het tikt
» meer vervoegingen van tikken

machineschrijven, tikken, typen {ww.}
machineschrijven
tikken
typen {ww.}

ik tik
jij tikt
hij/zij/het tikt

ik tik
jij tikt
hij/zij/het tikt
» meer vervoegingen van tikken

tikken {ww.}
tikken {ww.}

ik tik
jij tikt
hij/zij/het tikt

ik tik
jij tikt
hij/zij/het tikt
» meer vervoegingen van tikken

tikken, tiktakken, rikketikken {ww.}
tikken
tiktakken
rikketikken {ww.}

hij/zij/het rikketikt
zij rikketikken
ik tik

hij/zij/het tikt
zij tikken
ik tik
» meer vervoegingen van tikken

Mijn zusje en ik deden vaak tikkertje. Dan renden we achter elkaar aan, en de achterste probeerde de voorste te tikken en riep: "Tikkie, jij bent hem!"
Mijn zusje en ik deden vaak tikkertje. Dan renden we achter elkaar aan, en de achterste probeerde de voorste te tikken en riep: "Tikkie, jij bent hem!"
typen, machineschrijven, tikken, uittikken, uittypen, getikt {ww.}
typen
machineschrijven
tikken
uittikken
uittypen
getikt {ww.}

ik tik
jij tikt
hij/zij/het tikt

ik typ
jij typt
hij/zij/het typt
» meer vervoegingen van typen

tikken {ww.}
tikken {ww.}

ik tik
jij tikt
hij/zij/het tikt

ik tik
jij tikt
hij/zij/het tikt
» meer vervoegingen van tikken

aantikken, tikken {ww.}
aantikken
tikken {ww.}

ik tik aan
jij tikt aan
hij/zij/het tikt aan

ik tik aan
jij tikt aan
hij/zij/het tikt aan
» meer vervoegingen van aantikken



Gerelateerd aan tik

tikje - slag - klap - veeg - klop - klets - tic - stoot - schop - houw - pets - pats - mep - tikken - typensterkedrank - aanraking - eenheid - uitklinken - slaan - schrijven - beroeren