Betekenis van:
aan zijn

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Tom trok zijn zwemkleding aan.
  2. We zijn aan het barbecueën.
  3. We zijn aan het barbecueën.
  4. Ze zijn aan elkaar verwant.
  5. Zijn vader wijdde zijn leven aan de wetenschap.
  6. Talen zijn aan voortdurende verandering onderhevig.
  7. Wat zijn jullie aan het koken?
  8. Zij hield hem aan zijn woord.
  9. We zijn het verslag aan het schrijven.
  10. Ze zijn appels aan het eten.
  11. Gelukkig zijn ze aan het gevaar ontkomen.
  12. Niemand schonk aandacht aan zijn waarschuwing.
  13. Hij houdt zich aan zijn woord.
  14. Aan zijn vrienden kent men de man.
  15. Hij had zijn hemd binnenste buiten aan.