Betekenis van:
blik

blik (het ~)
Zelfstandig naamwoord
  • staal
"van blik (gemaakt)"

Hyperoniemen

blik
Zelfstandig naamwoord
  • het oog richten op iets
"een blik werpen op"

Hyperoniemen

Hyponiemen

blik
Zelfstandig naamwoord
  • metaal dat tot dunne bladen is uitgeslagen
"Dat materiaal daar is blik."
blik
Zelfstandig naamwoord
  • een cilindervormig afgesloten blikken vaatje
"Er zitten perziken in dat blik."
blik
Zelfstandig naamwoord
  • een blikken plaat (ook wel van ander materiaal) met handvat om stof en vuilnis op te vegen
"De moeder had een stoffer en blik gehaald en alles van de grond opgeveegd."
blik (de ~ | meervoud blikken)
Zelfstandig naamwoord
  • uitdrukking op het gezicht; oogopslag; gelaatsuitdrukking
"een helderziende blik"
"een gulzige blik"

Synoniemen

Hyperoniemen

blik (de ~ | meervoud blikken)
Zelfstandig naamwoord
  • inzicht; verhandeling; visie; manier van kijken; opvatting
"zijn/haar blik verruimen"
"een blik in de toekomst"

Synoniemen

Hyperoniemen

blik
Zelfstandig naamwoord
  • vermogen tot waarnemen

Hyperoniemen

blik
Zelfstandig naamwoord
  • als vorwerpsnaam
blik
Zelfstandig naamwoord
  • een blikken bak ''(keukengereedschap)''
blik
Zelfstandig naamwoord
  • een blikken bus ''(om verduurzaamde levensmiddelen in te bewaren)''

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Hij had een hongerige blik.
  2. Ze wierp me een vuile blik toe.
  3. Een voldane blik verscheen op zijn gezicht.
  4. "Nou..." zuchtte Dima, keerde zich vervolgens naar de verkoopster en wierp haar een moordzuchtige blik toe, "ik geloof dat ik nu geen keus heb..."
  5. blik
  6. Blik (tin)
  7. Blik (canister)
  8. Blik, cilindervormig (can, cylindrical)
  9. Blik, rechthoekig (can, rectangular)
  10. Vis, in glas of blik
  11. Blik, cilindervormig (can, cylindrical) CX
  12. Bladmetaal SM Blik (canister) CI Blik (tin) TN
  13. Blik, met handvat en tuit
  14. Schaal- en weekdieren, in glas of blik
  15. Omvat vis en kaviaar in blik.