Betekenis van:
eten

eten
Zelfstandig naamwoord
  • dat wat iemand tot zich neemt om diens metabolisme in werking te houden
"Het eten was erg lekker."
eten
Zelfstandig naamwoord
  • de maaltijd
"Zij zorgt altijd voor het eten."
eten (het ~)
Zelfstandig naamwoord
  • al wat tot voeding kan dienen
"het eten ligt me zwaar op de maag"
"dat is geen eten"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

eten
Werkwoord
  • het nuttigen van voedsel
"We gingen met de hele klas eten bij een pizzeria."
eten
Werkwoord
  • aan tafel eten; zich voeden
"spinazie eten"
"je bord leeg eten"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Wil je iets eten?
  2. Laten we sushi eten.
  3. Wanneer kunnen we eten?
  4. Kan ik dit eten?
  5. Zij eten een boterham.
  6. Ze hadden geen eten.
  7. Is het eten halal?
  8. Hij houdt van eten.
  9. Wat eten we vanavond?
  10. Eekhoorntjes eten hazelnoten.
  11. Ze eten veel rijst.
  12. Waar wil je eten?
  13. Hou je van heet eten?
  14. Bedankt voor het wonderbaarlijke eten.
  15. Waar zullen we vanavond eten?