Betekenis van:
loop

loop (de ~ | meervoud lopen)
Zelfstandig naamwoord
  • uiteinde v.e. vuurwapen
"de loop van [een geweer]"
"een (geweer met) dubbele/afgezaagde loop"

Hyperoniemen

loop (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • manier van lopen
"iemand aan zijn loop herkennen"

Hyperoniemen

Hyponiemen

loop
Zelfstandig naamwoord
  • voortgang.
"In de loop van de avond."
loop (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • mogelijkheid tot passeren; plaats waar men kan passeren; doorgang; mogelijkheid tot passeren
"in de loop"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

loop (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • het hardlopen
"(ergens voor) op de loop gaan/zijn"
"een loop over [15] kilometer"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

loop (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • traject; beweging in tijd of ruimte
"zijn loop nemen"
"de bal werd in zijn loop gestuit"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

loop
Zelfstandig naamwoord
  • voorste deel van een wapen
loop
Zelfstandig naamwoord
  • route van een rivier
loop
Zelfstandig naamwoord
  • wijze waarop iets verloopt; manier waarop iets zich ontwikkelt

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

Werkwoord