Betekenis van:
macht

macht (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • gezag en/of invloed
"kennis is macht"
"de ouderlijke macht"

Hyperoniemen

Hyponiemen

macht
Zelfstandig naamwoord
  • het vermogen zijn wil op te leggen
"De macht van de grote banken is in het Amerikaanse Congress goed te voelen."
macht
Zelfstandig naamwoord
  • een staat die zijn macht doet gevoelen
"Van een wonderbaarlijk wereldrijkje zijn we vervallen tot een economisch machtje zonder inspraak in de wereldpolitiek."
macht
Zelfstandig naamwoord
  • ''met man en ~'': met inzetting van alle beschikbare middelen
"De stad werd met man en macht verdedigd."
macht (de ~ | meervoud machten)
Zelfstandig naamwoord
  • het kunnen; dat waartoe iem. of iets in staat is; vermogen; seksueel vermogen v.d. man
"de macht over [het stuur]"
"boven je macht (werken)"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

macht (de ~ | meervoud machten)
Zelfstandig naamwoord
  • macht in een vergelijking; product van gelijke getallen
"tot de '[derde] macht'/'macht [3]'"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

macht
Zelfstandig naamwoord
  • zelfstandige staat; soevereine staat

Synoniemen

Hyperoniemen