Betekenis van:
val

val (de ~ | meervoud vallen)
Zelfstandig naamwoord
  • toestel om dieren te vangen
"in de val lopen"
"een val zetten"

Hyperoniemen

Hyponiemen

val (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • het zich naar beneden bewegen
"iemands val breken"
"een vrije val maken"

Hyperoniemen

val
Zelfstandig naamwoord
  • hinderlaag; verraderlijke poging om iem. in moeilijkheden of ten val te brengen
"Hij loopt met open ogen in de val"

Synoniemen

Hyperoniemen

val (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • vernietiging; ondergang; het verloren gaan
"ten val komen"
"iemand/iets ten val brengen"

Synoniemen

Hyperoniemen

val (de ~ | meervoud vallen)
Zelfstandig naamwoord
  • het instorten; keer dat men onderuitgaat
"een zware val"
"iemand ten val brengen"

Synoniemen

Hyperoniemen

val
Zelfstandig naamwoord
  • knol v.e. koolraap als groente; afgevallen fruit dat van de grond opgeraapt is
"De val van de appelbomen lag weg te rotten"

Synoniemen

Hyperoniemen

val
Zelfstandig naamwoord
  • schuin aflopend vlak; op- of aflopende schuinte in het landschap; lichte helling
"De loofbomen groeien langs de val aan de zuidkant"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

val
Zelfstandig naamwoord
  • van zijn macht beroofd worden
val
Zelfstandig naamwoord
  • beweegbare vloer van een ophaalbrug
val
Zelfstandig naamwoord
  • fruit dat uit de boom gevallen is, niet geplukt is
val
Zelfstandig naamwoord
  • richting van de stof, waarbij de figuren op de stof naar beneden gaan
val
Zelfstandig naamwoord
  • algemeen: het omlaag gaan, de daling
val
Zelfstandig naamwoord
  • hoogte van waarvandaan iets naar beneden valt
val
Zelfstandig naamwoord
  • het ten gevolge van de zwaartekracht onvrijwillig ergens op terecht komen
val
Zelfstandig naamwoord
  • ten gevolge van de zwaartekracht naar beneden gaan
val (het ~ | meervoud vallen)
Zelfstandig naamwoord
  • touw of ketting waarmee een zeil, een rondhout of een vlag gehesen of gevierd wordt

Hyperoniemen

val
Zelfstandig naamwoord
  • (''Limburg'') een naamval

Werkwoord