Vertaling van Macht

Inhoud:

Duits
Nederlands
Autorität [v] (die ~), Macht [v] (die ~), Ansehen [o] (das ~) {zn.}
gezag 
autoriteit  [v]
Autorität [v] (die ~), Gewalt [v] (die ~), Macht [v] (die ~), Ansehen [o] (das ~), Einfluß [m] (der ~), Gewicht [o] (das ~), Herrschaft [v] (die ~), Machtbefugnis {zn.}
gezag 
autoriteit  [v]
Gewalt [v] (die ~), Macht [v] (die ~), Potenz [v] (die ~) {zn.}
macht
mogendheid [v]
heerschappij [v]
Macht und Geld gehen Hand in Hand.
Macht en geld zijn onafscheidelijk.
Der König hat seine Macht missbraucht.
De koning maakte misbruik van zijn macht.
Fähigkeit [v] (die ~), Gewalt [v] (die ~), Können [o] (das ~), Kraft [v] (die ~), Macht [v] (die ~), Vermögen [o] (das ~) {zn.}
macht
vermogen
hervorbringen, entstehen lassen, erzeugen, schaffen, hervorrufen, verursachen, zur Folge haben, machen, gestalten {ww.}
maken 
ontwikkelen
formeren
doen ontstaan

er/sie/es macht
ihr macht

hij/zij/het maakt
jullie maken
» meer vervoegingen van maken

Ausländer machen mich neugierig.
Buitenlanders maken me nieuwsgierig.
Kleider machen Leute.
Kleren maken de man.
agieren, handeln, verfahren, vorgehen, wirken, tätig sein, machen, sich verhalten, einwirken {ww.}
doen 
handelen
te werk gaan
optreden 
bezig zijn
ageren

er/sie/es macht
ihr macht

hij/zij/het doet
jullie doen
» meer vervoegingen van doen

Wir müssen speditiv handeln.
We moeten snel handelen.
Was muss ich machen?
Wat moet ik doen?
agieren, handeln, verfahren, vorgehen, wirken, tätig sein, machen, sich verhalten, einwirken {ww.}
doen 
te werk gaan
handelen
bezig zijn
ageren
optreden 

er/sie/es macht
ihr macht

hij/zij/het doet
jullie doen
» meer vervoegingen van doen

Was werden Sie heute Abend machen?
Wat ga je vanavond doen?
Einer von uns zwei muss das machen.
Een van ons tweeën moet het doen.
arrangieren, einrichten, ordnen, anordnen, veranstalten, in Ordnung bringen, zurechtmachen, herrichten, organisieren, vorbereiten, machen, bearbeiten, ausrichten, abwickeln, erledigen, übereinkommen {ww.}
regelen 
arrangeren
ordenen
aanrichten 

er/sie/es macht
ihr macht

hij/zij/het regelt
jullie regelen
» meer vervoegingen van regelen

machen, tun, stellen, bereiten, ausführen, verrichten, erledigen, abstatten, begehen, schließen, anfertigen, herstellen, erzeugen, hervorbringen, erschaffen, unterbreiten, halten, geben, schneiden, brauen, zurechtmachen, ordnen, zubereiten, bewirken, verursachen, hervorrufen, veranlassen, erregen, anrichten, ernennen, abhalten {ww.}
maken 
aanmaken 
bedrijven 
doen 
uitbrengen
uitrichten
uitvoeren 

er/sie/es macht
ihr macht

hij/zij/het maakt
jullie maken
» meer vervoegingen van maken

erteilen, geben, angeben, herreichen, verabreichen, reichen, hervorbringen, erzeugen, tragen, spenden, machen, übergeben, überantworten, anvertrauen, ergeben, gewähren, gestatten {ww.}
geven 
aangeven 
opbrengen
toebrengen
toekennen
verlenen

er/sie/es macht
ihr macht

hij/zij/het geeft
jullie geven
» meer vervoegingen van geven

machen, veranlassen {ww.}
doen 
laten
laten doen
maken 

er/sie/es macht
ihr macht

hij/zij/het doet
jullie doen
» meer vervoegingen van doen

agieren, handeln, verfahren, vorgehen, wirken, tätig sein, machen, sich verhalten, einwirken {ww.}
tussenkomen
optreden 
ageren
doen 
bezig zijn
handelen
te werk gaan

er/sie/es macht
ihr macht

hij/zij/het treedt op
jullie treden op
» meer vervoegingen van optreden



Voorbeelden in zinsverband

Duits
Nederlands

Reiten macht viel Spaß.

Paardrijden is erg leuk.

Was macht er?

Wat is hij aan het doen?

Baseball spielen macht Spaß.

Het is leuk om honkbal te spelen.

Baseball spielen macht Spaß.

Het is leuk om honkbal te spelen.

Er macht das Fenster auf.

Hij doet het raam open.

Scotts Schwester macht gerne Sashimi.

Scott's zus maakt graag sashimi.

Sie macht das Fenster auf.

Zij doet het raam open.

Dieser Artikel macht Vegetarier lächerlich.

Dat artikel steekt de draak met vegetariërs.

Eine Schwalbe macht noch keinen Sommer.

Eén zwaluw maakt nog geen zomer.

Eine Fremdsprache zu lernen macht Spaß.

Het is leuk om een vreemde taal te leren.

Maria glaubt an die Macht der Liebe.

Mary gelooft in de kracht van de liefde.

Dein Lächeln macht mich immer glücklich.

Jouw glimlach maakt me altijd blij.

Der König hat seine Macht missbraucht.

De koning maakte misbruik van zijn macht.

Das Heimweh macht Tom schwer zu schaffen.

Tom heeft heimwee.

Mir macht es nichts aus, im Regen spazieren zu gehen.

Het maakt me niet uit om in de regelen te wandelen.