Vertaling van can

Inhoud:

Engels
Nederlands
to can, to tin {ww.}
inblikken

I can
you can
he/she/it can

ik blik in
jij blikt in
hij/zij/het blikt in
» meer vervoegingen van inblikken

can, tin, tin can {zn.}
blik  [o]
blikje [o]
bus  [v]
trommeltje [o]
trommel
to can, to put up, to tin {ww.}
inblikken

I can
you can
he/she/it can

ik blik in
jij blikt in
hij/zij/het blikt in
» meer vervoegingen van inblikken

to can, to put up, to tin {ww.}
steriliseren
wecken

I can
you can
he/she/it can

ik steriliseer
jij steriliseert
hij/zij/het steriliseert
» meer vervoegingen van steriliseren

to can, to put up, to tin {ww.}
uitloven

I can
you can
he/she/it can

ik loof uit
jij looft uit
hij/zij/het looft uit
» meer vervoegingen van uitloven

to can, to dismiss, to displace, to fire, to force out, to give notice, to give the axe, to give the sack, to sack, to send away, to terminate {ww.}
ontslaan
wippen

I can
you can
he/she/it can

ik ontsla
jij ontslaat
hij/zij/het ontslaat
» meer vervoegingen van ontslaan

They had to fire 300 men at the factory.
Ze moesten driehonderd mannen ontslaan in de fabriek.
to can, to put up, to tin {ww.}
kunnen

I can
you can
he/she/it can

ik kan
jij kan
hij/zij/het kan
» meer vervoegingen van kunnen

When can we eat?
Wanneer kunnen we eten?
Maybe we can talk.
Misschien kunnen we praten.
to can, to dismiss, to displace, to fire, to force out, to give notice, to give the axe, to give the sack, to sack, to send away, to terminate {ww.}
afzetten

I can
you can
he/she/it can

ik zet af
jij zet af
hij/zij/het zet af
» meer vervoegingen van afzetten

to can, to put up, to tin {ww.}
vermogen
weten
kunnen

I can
you can
he/she/it can

ik vermag
jij vermag
hij/zij/het vermag
» meer vervoegingen van vermogen

pot, jug, can, mug, tankard, jar {zn.}
kan  [m]
pan  [v]
pot  [m]
can, commode, crapper, pot, potty, stool, throne, toilet {zn.}
po [m] (de ~)
nachtspiegel [m] (de ~)
piespot [m] (de ~)
pot [m] (de ~)
pispot [m] (de ~)
box, container, jug, vessel, bucket, can, case, bottle, crate, jar, pot, sack, chest, pail, tin, urn {zn.}
doos [v]
bak  [m]
etui [o]
foedraal [o]
koker [m]
korf [m]
pot  [m]
zak
vat  [o]
kist  [v]
fles  [v]
krat  [o]
emmer 
kruik 
urn
can, tin, tin can {zn.}
blik [o] (het ~)
blikje
can, tin, tin can {zn.}
politiepenning [m] (de ~)
can, tin, tin can {zn.}
conservenblik [o] (het ~)
bathroom, can, john, lav, lavatory, privy, toilet {zn.}
toilet [o] (het ~)
bestekamer
gemak [o] (het ~)
kakdoos
plee [m] (de ~)
poepdoos
privaat [o] (het ~)
retirade [v] (de ~)
schijthuis
sekreet
closet [o] (het ~)
doos [m] (de ~)
arse, ass, backside, behind, bottom, bum, buns, butt, buttocks, can, derriere, fanny, fundament, hind end, hindquarters, keister, nates, posterior, prat, rear, rear end, rump, seat, stern, tail, tail end, tooshie, tush {zn.}
achterste [o] (het ~)
batterij
derrière [m] (de ~)
fundament
krent [m] (de ~)
posterieur
reet
tooches
bibs
bips [m] (de ~)
achterwerk [o] (het ~)
gat [o] (het ~)
zitvlak [o] (het ~)
hol [o] (het ~)
kont [m] (de ~)
achtersteven
bathroom, can, john, lav, lavatory, privy, toilet {zn.}
wc [m] (de ~)
WC
w.c.
W.C.
I have to go to the bathroom.
Ik moet naar de wc.
Can I use your toilet, please?
Mag ik van uw wc gebruikmaken?
bathroom, can, john, lav, lavatory, privy, toilet {zn.}
doos
I can put things in a box.
Ik kan dingen in een doos steken.

Voorbeelden in zinsverband

Engels
Nederlands

He can swim fast.

Hij kan snel zwemmen.

He can speak French.

Hij kan Frans spreken.

When can we eat?

Wanneer kunnen we eten?

Can I eat this?

Kan ik dit eten?

I can do it.

Ik kan het.

Nobody can understand him.

Niemand kan hem begrijpen.

Maybe we can talk.

Misschien kunnen we praten.

Can you prove it?

Kunt u dat bewijzen?

I can play Chopin.

Ik kan Chopin spelen.

Nobody can surpass him.

Niemand kan hem overtreffen.

Mary can swim.

Mary kan zwemmen.

Can we talk?

Kunnen we praten?

Can you hear me?

Kun je me horen?

Bob can cook.

Bob kan koken.

I can play tennis.

Ik kan tennissen.


Gerelateerd aan can

tin - tin can - put up - dismiss - displace - fire - force out - give notice - give the axe - give the sack - sack - send away - terminate - pot - jugkeep - offer - work - be - can - jar - toilet bowl - canister - booth - component - bathroom - buttock