Vertaling van charge

Inhoud:

Engels
Nederlands
to charge, to levy {ww.}
berekenen 
in rekening brengen

I charge
you charge
we charge

ik bereken
jij berekent
wij berekenen
» meer vervoegingen van berekenen

to charge, to load {ww.}
laden 

I charge
you charge
we charge

ik laad
jij laadt
wij laden
» meer vervoegingen van laden

charge {zn.}
bekostiging [v]
charge, cost, expense {zn.}
kosten 
onkosten
charge, lead, leadership {zn.}
geleide [o]
leiding  [v]
charge, claim, demand, suit {zn.}
eis [m]
vordering [v]
charge {zn.}
lading  [v]
charge, expense, expenditure, outlay {zn.}
besteding [v]
vertering [v]
uitgaaf [v]
to entrust, to assign, to charge, to commision, to instruct, to appoint, to authorize {ww.}
belasten met
opdracht geven 
opdragen 

I charge
you charge
we charge

ik draag op
jij draagt op
wij dragen op
» meer vervoegingen van opdragen

to burden, to load, to charge {ww.}
laden 
beladen 
belasten 
inladen

I charge
you charge
we charge

ik laad
jij laadt
wij laden
» meer vervoegingen van laden

to demand, to postulate, to require, to charge, to claim, to dictate, to exact, to mandate, to assert {ww.}
eisen 
opeisen
rekenen 
vereisen
vergen
voorschrijven
vorderen

I charge
you charge
we charge

ik eis
jij eist
wij eisen
» meer vervoegingen van eisen

to accuse, to allege, to charge {ww.}
aanklagen 
beschuldigen 
betichten

I charge
you charge
we charge

ik klaag aan
jij klaagt aan
wij klagen aan
» meer vervoegingen van aanklagen

to assault, to storm, to charge, to rush {ww.}
bestormen 

I charge
you charge
we charge

ik bestorm
jij bestormt
wij bestormen
» meer vervoegingen van bestormen

to accuse, to blame, to charge, to fault, to incriminate {ww.}
beschuldigen 
betichten

I charge
you charge
we charge

ik beschuldig
jij beschuldigt
wij beschuldigen
» meer vervoegingen van beschuldigen

commission, errand, charge, entrustment, job, mandate, trust, appointment, authorization {zn.}
boodschap  [v]
commissie  [v]
opdracht  [v]
assault, storming, charge {zn.}
bestorming [v]
charge [v]
stormloop
burden, charge, load, weight {zn.}
lading  [v]
last
vracht
cost, charge, price {zn.}
kostprijs
accusation, charge, complaint, indictment, accusal, blame {zn.}
aanklacht  [v]
beschuldiging  [v]
telastlegging [v]
tenlastelegging [v]
accusation, charge, indictment {zn.}
aanklacht  [v]
telastlegging
tenlastelegging
pupil, charge, ward {zn.}
pupil
accusation, accusal, allegation, charge {zn.}
tenlastelegging [v]
beschuldiging  [v]
aanklacht  [v]
telastlegging [v]
accusatie

Voorbeelden in zinsverband

Engels
Nederlands

It's free of charge.

't Is gratis.

Please charge this to my account.

Zet dat maar op mijn rekening.

How much is the room charge?

Hoeveel kost de kamer?

He is in charge of entertaining the foreign guests.

Hij verzorgt het vermaken van de buitenlandse gasten.

What is the charge per night?

Hoeveel kost het per nacht?


Gerelateerd aan charge

levy - load - cost - expense - lead - leadership - claim - demand - suit - expenditure - outlay - entrust - assign - commision - instruct