Vertaling van lock

Inhoud:

Engels
Nederlands
to lock, to lock up {ww.}
op slot doen
sluiten 
afsluiten 

I lock
you lock
we lock

ik sluit
jij sluit
wij sluiten
» meer vervoegingen van sluiten

lock, sluice, sluice-gate {zn.}
sas
sluis
sassluis
schutsluis
spui
lock {zn.}
slot  [o]
to lock, to lock away, to lock in, to lock up, to put away, to shut away, to shut up {ww.}
kooien
insluiten
opsluiten

I lock
you lock
we lock

ik kooi
jij kooit
wij kooien
» meer vervoegingen van kooien

to lock, to lock away, to lock in, to lock up, to put away, to shut away, to shut up {ww.}
sluiten

I lock
you lock
we lock

ik sluit
jij sluit
wij sluiten
» meer vervoegingen van sluiten

to lock, to lock away, to lock in, to lock up, to put away, to shut away, to shut up {ww.}
wegsluiten

I lock
you lock
we lock

ik sluit weg
jij sluit weg
wij sluiten weg
» meer vervoegingen van wegsluiten

to lock, to lock away, to lock in, to lock up, to put away, to shut away, to shut up {ww.}
verschuilen
verstoppen
schuilhouden

I lock
you lock
we lock

ik verstop
jij verstopt
wij verstoppen
» meer vervoegingen van verstoppen

to lock {ww.}
afsluiten

I lock
you lock
we lock

ik sluit af
jij sluit af
wij sluiten af
» meer vervoegingen van afsluiten

to lock {ww.}
vergrendelen
afgrendelen

I lock
you lock
we lock

ik vergrendel
jij vergrendelt
wij vergrendelen
» meer vervoegingen van vergrendelen

lock, lock chamber {zn.}
sluis [m] (de ~)
lock {zn.}
slot [o] (het ~)
Did you lock the door?
Heb je de deur op slot gedaan?
Give me the key to this lock!
Geef me de sleutel van dit slot!
lock, lock chamber {zn.}
scheepvaartsluis
lock, lock chamber {zn.}
sluiskolk [m] (de ~)
koker
kolk [m] (de ~)
lock, lock chamber {zn.}
stuwdam [m] (de ~)
keerdam
schut [o] (het ~)
barrage [v] (de ~)
lock, lock chamber {zn.}
schutsluis [m] (de ~)
kolksluis
sas [o] (het ~)
to interlace, to interlock, to lock {ww.}
ineengrijpen

I lock
you lock
we lock

ik grijp ineen
jij grijpt ineen
wij grijpen ineen
» meer vervoegingen van ineengrijpen

curl, lock, ringlet, whorl {zn.}
krinkel
curl, lock, ringlet, whorl {zn.}
krul [m] (de ~)
haarkrul
curl, lock, ringlet, whorl {zn.}
pijpekrul
pijpenkrul [m] (de ~)
curl, lock, ringlet, whorl {zn.}
krulziekte
kroesziekte
ignition lock, lock {zn.}
contactslot
curl, lock, ringlet, whorl {zn.}
tres [m] (de ~)
haarlok
lok [m] (de ~)

Voorbeelden in zinsverband

Engels
Nederlands

Did you lock the door?

Heb je de deur op slot gedaan?

I'm a lock without a key.

Ik ben een slot zonder een sleutel.

Give me the key to this lock!

Geef me de sleutel van dit slot!

Lock the window before going to bed.

Doe het raam op slot voor je naar bed gaat.