Vertaling van nail

Inhoud:

Engels
Nederlands
to nail {ww.}
spijkeren 
nagelen

I nail
you nail
we nail

ik spijker
jij spijkert
wij spijkeren
» meer vervoegingen van spijkeren

nail {zn.}
nagel  [m]
The nail went through the wall.
De nagel ging door de muur.
nail, stud {zn.}
nagel  [m]
draadnagel [m]
spijker  [m]
to nail {ww.}
spijkeren
inklinken
nagelen
vastnagelen
vastspijkeren
klinken

I nail
you nail
we nail

ik spijker
jij spijkert
wij spijkeren
» meer vervoegingen van spijkeren

nail {zn.}
nagel [m] (de ~)
nail {zn.}
nagel [m] (de ~)
spijker [m] (de ~)
To the man who only has a hammer in the toolkit, every problem looks like a nail.
Voor iemand die alleen een hamer in z'n gereedschapskist heeft ziet elk probleem eruit als een spijker.
to complete, to nail {ww.}
bespijkeren

I nail
you nail
we nail

ik bespijker
jij bespijkert
wij bespijkeren
» meer vervoegingen van bespijkeren

to blast, to boom, to nail, to smash {ww.}
sodemieteren
knallen
pleuren
smijten

I nail
you nail
we nail

ik sodemieter
jij sodemietert
wij sodemieteren
» meer vervoegingen van sodemieteren

to ace, to breeze through, to nail, to pass with flying colors, to sail through, to sweep through {ww.}
doorzeilen
to apprehend, to arrest, to collar, to cop, to nab, to nail, to pick up {ww.}
opleiden

I nail
you nail
we nail

ik leid op
jij leidt op
wij leiden op
» meer vervoegingen van opleiden

to apprehend, to arrest, to collar, to cop, to nab, to nail, to pick up {ww.}
inrekenen
opbrengen
pakken
aanhouden
oppakken
arresteren

I nail
you nail
we nail

ik reken in
jij rekent in
wij rekenen in
» meer vervoegingen van inrekenen

to blast, to boom, to nail, to smash {ww.}
smashen

I nail


Voorbeelden in zinsverband

Engels
Nederlands

The nail went through the wall.

De nagel ging door de muur.

To the man who only has a hammer in the toolkit, every problem looks like a nail.

Voor iemand die alleen een hamer in z'n gereedschapskist heeft ziet elk probleem eruit als een spijker.