Vertaling van spring

Inhoud:

Engels
Nederlands
to spring, to well up, to arise, to well {ww.}
wellen
voortkomen
opborrelen
opwellen
ontspringen

I spring
you spring
we spring

ik wel
jij welt
wij wellen
» meer vervoegingen van wellen

spring {bn.}
lente-
voorjaars-
spring {zn.}
veer  [v]
springveer [v]
drijfveer [v]
to come, to derive, to originate, to result, to accrue, to stem, to spring {ww.}
voortkomen
het gevolg zijn van
ontspruiten
afstammen 

I spring
you spring
we spring

ik kom voort
jij komt voort
wij komen voort
» meer vervoegingen van voortkomen

to dash, to hurtle, to rush, to surge, to leap, to spring, to shoot forward, to spank {ww.}
zich werpen op
voorwaarts stormen
to jump, to leap, to spring {ww.}
springen 

I spring
you spring
we spring

ik spring
jij springt
wij springen
» meer vervoegingen van springen

I saw the man jump.
Ik heb de man zien springen.
to spring {ww.}
terugveren

I spring
you spring
we spring

ik veer terug
jij veert terug
wij veren terug
» meer vervoegingen van terugveren

fountain, source, spring, fount, well, fountain-head, well-spring {zn.}
wel [v]
welput [m]
bron  [v]
Well I never!
Wel nu nog mooier!
Well, stranger things have happened.
Nou, er zijn wel vreemdere dingen gebeurd.
jump, leap, spring {zn.}
sprong
He didn't jump high enough to win a prize.
Hij sprong niet hoog genoeg om een prijs te winnen.
to bound, to jump, to leap, to spring {ww.}
springen

I spring
you spring
we spring

ik spring
jij springt
wij springen
» meer vervoegingen van springen

to bounce, to bound, to rebound, to recoil, to resile, to reverberate, to ricochet, to spring, to take a hop {ww.}
veren

I spring
you spring
we spring

ik veer
jij veert
wij veren
» meer vervoegingen van veren

to bound, to jump, to leap, to spring {ww.}
verspringen

I spring
you spring
we spring

ik verspring
jij verspringt
wij verspringen
» meer vervoegingen van verspringen

to bound, to jump, to leap, to spring {ww.}
verspringen

I spring
you spring
we spring

ik verspring
jij verspringt
wij verspringen
» meer vervoegingen van verspringen

to bound, to jump, to leap, to spring {ww.}
afspringen

I spring
you spring
we spring

ik spring af
jij springt af
wij springen af
» meer vervoegingen van afspringen

to bounce, to bound, to rebound, to recoil, to resile, to reverberate, to ricochet, to spring, to take a hop {ww.}
afketsen

I spring
you spring
we spring

ik kets af
jij ketst af
wij ketsen af
» meer vervoegingen van afketsen

to bounce, to bound, to rebound, to recoil, to resile, to reverberate, to ricochet, to spring, to take a hop {ww.}
stuiten
ketsen
stuiteren
kaatsen

I spring
you spring
we spring

ik stuit
jij stuit
wij stuiten
» meer vervoegingen van stuiten

to bound, to jump, to leap, to spring {ww.}
overslaan

I spring
you spring
we spring

ik sla over
jij slaat over
wij slaan over
» meer vervoegingen van overslaan

to bounce, to bound, to rebound, to recoil, to resile, to reverberate, to ricochet, to spring, to take a hop {ww.}
zwiepen

they spring

zij zwiepen
» meer vervoegingen van zwiepen

to bounce, to bound, to rebound, to recoil, to resile, to reverberate, to ricochet, to spring, to take a hop {ww.}
veren

I spring
you spring
we spring

ik veer
jij veert
wij veren
» meer vervoegingen van veren

to bound, to jump, to leap, to spring {ww.}
springen

I spring
you spring
we spring

ik spring
jij springt
wij springen
» meer vervoegingen van springen

to bounce, to bound, to rebound, to recoil, to resile, to reverberate, to ricochet, to spring, to take a hop {ww.}
afspringen
afschampen

I spring
you spring
we spring

ik spring af
jij springt af
wij springen af
» meer vervoegingen van afspringen

to bound, to jump, to leap, to spring {ww.}
uitspringen

I spring
you spring
we spring

ik spring uit
jij springt uit
wij springen uit
» meer vervoegingen van uitspringen


Voorbeelden in zinsverband

Engels
Nederlands

Spring is coming.

De lente komt.

After winter, spring comes.

Na de winter komt de lente.

School begins in spring.

School begint in de lente.

It will be spring soon.

De lente komt eraan.

Spring is on the way!

De lente is op weg!

Spring has passed and summer starts.

De lente is voorbij en de zomer begint.

The wedding will take place next spring.

De bruiloft zal in het voorjaar plaatsvinden.

One swallow does not a spring make.

Eén zwaluw maakt de lente niet.

Which do you prefer, spring or autumn?

Wat verkies je, lente of herfst?

I returned to my home this spring.

Ik ben deze lente terug thuisgekomen.

Spring is just around the corner.

Het is bijna lente.

At last, spring has come to this part of Japan.

Eindelijk heeft de lente dit deel van Japan bereikt.

I'm going to work during the spring vacation.

Ik ga werken tijdens de krokusvakantie.

The garden is at its best in spring.

Deze tuin is op zijn mooist in het voorjaar.

As for myself, I like spring very much. I never liked summer.

Ik zelf hou erg van de lente, ik heb nooit van de zomer gehouden.


Gerelateerd aan spring

well up - arise - well - come - derive - originate - result - accrue - stem - dash - hurtle - rush - surge - leap - shoot forwardreturn - displace - can - bound - move - bounce - become - kick - shift - brandish - crease