Vertaling van gepikt

Inhoud:

Nederlands
Engels
pikken, priemen, prikken, steken {ww.}
to pick 
to stick 
to pique 
to puncture 
to prick
to pierce 
to sting 
to stab 

ik heb gepikt
jij hebt gepikt
hij/zij/het heeft gepikt

I have picked
you have picked
he/she/it has picked
» meer vervoegingen van to pick

Vergeet me niet op te pikken om zes uur morgenochtend.
Don't forget to pick me up at 6 o'clock tomorrow.
pikken, zingen, fluiten {ww.}
to chirp
to peck

ik heb gepikt
jij hebt gepikt
hij/zij/het heeft gepikt

I have chirped
you have chirped
he/she/it has chirped
» meer vervoegingen van to chirp

aanzien, dulden, toelaten, tolereren, velen, verdragen, pikken {ww.}
to tolerate 
to stomach
to stand 
to condone
to brook 
to abide 
to put up with
to endure

ik heb gepikt
jij hebt gepikt
hij/zij/het heeft gepikt

I have tolerated
you have tolerated
he/she/it has tolerated
» meer vervoegingen van to tolerate

Ik kan dit geluid niet langer tolereren.
I can't tolerate this noise any longer.
beledigd, gegriefd, gekrenkt, gepikeerd, gepikt, geraakt, gekwetst {bn.}
resentful
pikken, vreten, aanvaarden, accepteren, nemen, slikken {ww.}
to accept
to swallow
to live with

ik heb gepikt
jij hebt gepikt
hij/zij/het heeft gepikt

I have accepted
you have accepted
he/she/it has accepted
» meer vervoegingen van to accept

We accepteren cheques.
We accept checks.
Tom wist niet hoe Mary's liefde en tederheid te aanvaarden.
Tom didn't know how to accept Mary's love and affection.
pikken {ww.}
to pick up
to peck

ik heb gepikt
jij hebt gepikt
hij/zij/het heeft gepikt

I have pecked
you have pecked
he/she/it has pecked
» meer vervoegingen van to peck

stelen, dieven, gappen, jatmouzen, jatten, kaaien, klauwen, ontvreemden, ratsen, rausjen, snaaien, snuffelen, weggappen, kapen, pikken {ww.}
to steal

ik heb gepikt
jij hebt gepikt
hij/zij/het heeft gepikt

I have stolen
you have stolen
he/she/it has stolen
» meer vervoegingen van to steal

Kunt ge mij het stelen aanleren?
Can you teach me how to steal?


Gerelateerd aan gepikt

pikken - priemen - prikken - steken - zingen - fluiten - aanzien - dulden - toelaten - tolereren - velen - verdragen - beledigd - gegriefd - gekrenkttoornig - laten - bijten - slaan - inpikken