Vertaling van staat

Inhoud:

Nederlands
Engels
borderel [o], lijst, staat, loonstaat, tabel {zn.}
way-bill
returns
roll 
statement 
staat [m] (de ~) {zn.}
statement
financial statement
rijk, staat {zn.}
state 
kingdom 
realm 
Elke staat had slechts één stem.
Each state had just one vote.
Vaticaanstad is met 0,44 vierkante kilometer 's werelds kleinste staat.
Vatican City with its 0.44 km² is the world's smallest state.
constellatie [v], gesteldheid [v], situatie [v], staat, stand, toestand {zn.}
standing 
state 
condition 
status 
Je moet rekening houden met zijn geestelijke gesteldheid.
You should take account of his mental condition.
Zijn toestand had erger kunnen zijn.
His condition could have been worse.
rijk, staat {zn.}
state 
In het Stalinistische tijdperk werden gevangenen in concentratiekampen slaven in dienst van de staat.
During the Stalinist era, prisoners at concentration camps became slaves in service of the state.
staat [m] (de ~), land [o] (het ~) {zn.}
country
land
state
res publica
nation
commonwealth
body politic
De mensen die in dat land woonden waren niet in staat om hun leiders tegen te spreken.
The people who lived in that country were not able speak out against their leaders.
De zeelui zagen land.
The sailors saw land.
kleden, aankleden, omkleden, staan {ww.}
to clothe 
to dress 
to fit 
to suit 
to array 
to attire

jij staat
hij/zij/het staat

you clothe
he/she/it clothes
» meer vervoegingen van to clothe

staan {ww.}
to suit 
to fit 
to make ... look

jij staat
hij/zij/het staat

you suit
he/she/it suits
» meer vervoegingen van to suit

staan {ww.}
to stand 

jij staat
hij/zij/het staat

you stand
he/she/it stands
» meer vervoegingen van to stand

gesteldheid [v] (de ~), staat [m] (de ~) {zn.}
condition
status
staan {ww.}
to stand
to stand up

jij staat
hij/zij/het staat

you stand
he/she/it stands
» meer vervoegingen van to stand

verhouden, staan {ww.}
to interrelate
to relate

jij staat
hij/zij/het staat

you relate
he/she/it relates
» meer vervoegingen van to relate

staan {ww.}
to stand still
staan {ww.}
to stand

jij staat
hij/zij/het staat

you stand
he/she/it stands
» meer vervoegingen van to stand

staan {ww.}
to ask
to call for
to demand
to involve
to necessitate
to need
to postulate
to require
to take

jij staat
hij/zij/het staat

you ask
he/she/it asks
» meer vervoegingen van to ask

staan {ww.}
to read
to say

jij staat
hij/zij/het staat

you read
he/she/it reads
» meer vervoegingen van to read

staan {ww.}
to stand up

jij staat

symboliseren, verzinnebeelden, staan {ww.}
to represent
to stand for
to symbolise
to symbolize
to typify

jij staat
hij/zij/het staat

you represent
he/she/it represents
» meer vervoegingen van to represent

ogen, staan {ww.}
to appear
to look
to seem

jij staat
hij/zij/het staat

you appear
he/she/it appears
» meer vervoegingen van to appear


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Engels

Ze staat vroeg op.

She gets up early.

Zijn pruik staat scheef.

His wig is skew.

Groen staat je goed.

Green suits you.

Zwart staat je goed.

Black becomes you.

Groen staat Alice goed.

Green suits Alice.

Je staat in de weg.

You are in my way.

Mijn grootvader staat vroeg op.

My grandfather gets up early.

Groen staat je erg goed.

Green suits you very well.

"Waar staat je huis?" "Daarzo."

"Where is your house?" "It is over there."

Tom staat op het dak.

Tom is on the roof.

Mijn vader staat vroeg op.

My father gets up early.

Er staat geen wind vandaag.

There is no wind today.

Hij staat op het podium.

He is standing on the stage.

Tom staat niet vroeg op.

Tom doesn't get up early.

Hij staat niet vroeg op.

He does not get up early.