Vertaling van staat

Inhoud:

Nederlands
Engels
borderel [o], lijst, staat, loonstaat, tabel {zn.}
roll 
statement 
returns
way-bill
constellatie [v], gesteldheid [v], situatie [v], staat, stand, toestand {zn.}
standing 
state 
condition 
status 
Je moet rekening houden met zijn geestelijke gesteldheid.
You should take account of his mental condition.
Zijn toestand had erger kunnen zijn.
His condition could have been worse.
rijk, staat {zn.}
state 
Elke staat had slechts één stem.
Each state had just one vote.
Vaticaanstad is met 0,44 vierkante kilometer 's werelds kleinste staat.
Vatican City with its 0.44 km² is the world's smallest state.
rijk, staat {zn.}
state 
realm 
kingdom 
In het Stalinistische tijdperk werden gevangenen in concentratiekampen slaven in dienst van de staat.
During the Stalinist era, prisoners at concentration camps became slaves in service of the state.
staan {ww.}
to stand 

jij staat
hij/zij/het staat

you stand
he/she/it stands
» meer vervoegingen van to stand

Wij staan voor democratie.
We stand for democracy.
Je hoeft niet op te staan.
You don't need to stand up.
staan {ww.}
to suit 
to fit 
to make ... look

jij staat
hij/zij/het staat

you suit
he/she/it suits
» meer vervoegingen van to suit

kleden, aankleden, omkleden, staan {ww.}
to dress 
to array 
to clothe 
to suit 
to fit 
to attire

jij staat
hij/zij/het staat

you dress
he/she/it dresses
» meer vervoegingen van to dress

Je dient je correct te kleden voor deze winkel.
You are expected to dress well for this shop.

Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Engels

Ze staat vroeg op.

She gets up early.

Zijn pruik staat scheef.

His wig is skew.

Groen staat je goed.

Green suits you.

Zwart staat je goed.

Black becomes you.

Groen staat Alice goed.

Green suits Alice.

Je staat in de weg.

You are in my way.

Mijn grootvader staat vroeg op.

My grandfather gets up early.

Groen staat je erg goed.

Green suits you very well.

"Waar staat je huis?" "Daarzo."

"Where is your house?" "It is over there."

Tom staat op het dak.

Tom is on the roof.

Mijn vader staat vroeg op.

My father gets up early.

Er staat geen wind vandaag.

There is no wind today.

Hij staat op het podium.

He is standing on the stage.

Tom staat niet vroeg op.

Tom doesn't get up early.

Hij staat niet vroeg op.

He does not get up early.


Gerelateerd aan staat

borderel - lijst - loonstaat - tabel - constellatie - gesteldheid - situatie - stand - toestand - rijk - staan - kleden - aankleden - omkleden