Vertaling van antwoord
weerwoord
wederwoord
bescheid {zn.}
raad
oplossing {zn.}
beantwoording {zn.}
antwoorden
verantwoorden
antwoorden op {ww.}
ik antwoord
jij antwoordt
hij/zij/het antwoordt
ik beantwoord
jij beantwoordt
hij/zij/het beantwoordt
» meer vervoegingen van beantwoorden
antwoord geven {ww.}
ik antwoord
jij antwoordt
hij/zij/het antwoordt
ik antwoord
jij antwoordt
hij/zij/het antwoordt
» meer vervoegingen van antwoorden
reageren {ww.}
ik antwoord
jij antwoordt
hij/zij/het antwoordt
ik antwoord
jij antwoordt
hij/zij/het antwoordt
» meer vervoegingen van antwoorden
responderen
terugzeggen
repliceren {ww.}
ik antwoord
jij antwoordt
hij/zij/het antwoordt
ik antwoord
jij antwoordt
hij/zij/het antwoordt
» meer vervoegingen van antwoorden
Voorbeelden in zinsverband
Antwoord.
Antwoord.
Dat is mijn antwoord!
Dat is mijn antwoord!
Antwoord op de vraag.
Antwoord op de vraag.
Weet je het antwoord?
Weet je het antwoord?
Wat is uw antwoord?
Wat is uw antwoord?
Uw antwoord is juist.
Uw antwoord is juist.
Zijn antwoord was negatief.
Zijn antwoord was negatief.
Bedankt voor uw antwoord.
Bedankt voor uw antwoord.
Weet je het antwoord?
Weet je het antwoord?
Is mijn antwoord juist?
Is mijn antwoord juist?
Zijn antwoord was negatief.
Zijn antwoord was negatief.
Het antwoord maakte mij boos.
Het antwoord maakte mij boos.
Zijn domme antwoord verbaasde iedereen.
Zijn domme antwoord verbaasde iedereen.
Hij gaf zijn ouders antwoord.
Hij gaf zijn ouders antwoord.
Geef me een precies antwoord.
Geef me een precies antwoord.