Vertaling van bekwaam
Inhoud:
Nederlands
Nederlands
bekwaam, capabel, kundig {bn.}
bekwaam
capabel
kundig {bn.}
capabel
kundig {bn.}
bekwaam, knap, kundig {bw.}
bekwaam
knap
kundig {bw.}
knap
kundig {bw.}
bedreven, behendig, bekwaam, handig, vaardig {bn.}
bedreven
behendig
bekwaam
handig
vaardig {bn.}
behendig
bekwaam
handig
vaardig {bn.}
bekwaam {bn.}
bekwaam {bn.}
opleiden, bekwamen {ww.}
opleiden
bekwamen {ww.}
bekwamen {ww.}
ik bekwaam
jij bekwaamt
hij/zij/het bekwaamt
ik leid op
jij leidt op
hij/zij/het leidt op
» meer vervoegingen van opleiden
kundig, bekwaam, bevoegd, capabel, competent, gespecialiseerd {bn.}
kundig
bekwaam
bevoegd
capabel
competent
gespecialiseerd {bn.}
bekwaam
bevoegd
capabel
competent
gespecialiseerd {bn.}
aanleren, bekwamen, aanwennen {ww.}
aanleren
bekwamen
aanwennen {ww.}
bekwamen
aanwennen {ww.}
ik leer aan
jij leert aan
hij/zij/het leert aan
ik leer aan
jij leert aan
hij/zij/het leert aan
» meer vervoegingen van aanleren
Kunt ge mij het stelen aanleren?
Kunt ge mij het stelen aanleren?