Vertaling van gebeurde

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
gebeurde [o], gebeurtenis [v], voorgevallene {zn.}
gebeurde [o]
gebeurtenis [v]
voorgevallene {zn.}
Plotseling gebeurde er iets onverwachts.
Plotseling gebeurde er iets onverwachts.
Het gebeurde tussen acht en tien uur.
Het gebeurde tussen acht en tien uur.
gebeuren, voorkomen, geschieden, vóórkomen, voorvallen, aan de hand zijn {ww.}
gebeuren
voorkomen
geschieden
vóórkomen
voorvallen
aan de hand zijn {ww.}

hij/zij/het gebeurde
zij gebeurden
hij/zij/het geschiedde

hij/zij/het gebeurde
zij gebeurden
hij/zij/het gebeurde
» meer vervoegingen van gebeuren

Dat zal niet gebeuren.
Dat zal niet gebeuren.
Zoiets kan in Japan niet gebeuren.
Zoiets kan in Japan niet gebeuren.
geschiedenis [v] (de ~), gebeurde, gebeurtenis [v] (de ~), ontwikkeling [v] (de ~) {zn.}
geschiedenis [v] (de ~)
gebeurde
gebeurtenis [v] (de ~)
ontwikkeling [v] (de ~) {zn.}
Bestaat objectieve geschiedenis?
Bestaat objectieve geschiedenis?
Meneer Green is leraar geschiedenis.
Meneer Green is leraar geschiedenis.
gebeuren {ww.}
gebeuren {ww.}

hij/zij/het gebeurde
zij gebeurden

hij/zij/het gebeurde
zij gebeurden
» meer vervoegingen van gebeuren

Een aardbeving kan elk moment gebeuren.
Een aardbeving kan elk moment gebeuren.
De meeste ongelukken gebeuren dicht bij huis.
De meeste ongelukken gebeuren dicht bij huis.
gebeuren, omgaan, geschieden, afspelen, passeren {ww.}
gebeuren
omgaan
geschieden
afspelen
passeren {ww.}

ik speelde af
jij speelde af
hij/zij/het speelde af

ik ging om
jij ging om
hij/zij/het ging om
» meer vervoegingen van omgaan

Ze kon niet omgaan met de angst.
Ze kon niet omgaan met de angst.
Kun jij omgaan met de manier waarop hij zich gedraagt?
Kun jij omgaan met de manier waarop hij zich gedraagt?
geworden, gebeuren, geschieden, overkomen {ww.}
geworden
gebeuren
geschieden
overkomen {ww.}

hij/zij/het gebeurde
zij gebeurden
hij/zij/het geschiedde

hij/zij/het gewerd
zij gewerden
hij/zij/het gewerd
» meer vervoegingen van geworden

Jij bent het beste wat me ooit overkomen is.
Jij bent het beste wat me ooit overkomen is.
Hij is politieagent geworden.
Hij is politieagent geworden.


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Plotseling gebeurde er iets onverwachts.

Plotseling gebeurde er iets onverwachts.

Het gebeurde tussen acht en tien uur.

Het gebeurde tussen acht en tien uur.

Ik had niet gewild dat dit gebeurde.

Ik had niet gewild dat dit gebeurde.

Het ongeval gebeurde twee uur geleden.

Het ongeval gebeurde twee uur geleden.

Dat ongeluk gebeurde vlakbij zijn huis.

Dat ongeluk gebeurde vlakbij zijn huis.

Toen de grote aardbeving gebeurde, was ik pas tien jaar.

Toen de grote aardbeving gebeurde, was ik pas tien jaar.

Er waren vier mensen in de auto wanneer het ongeval gebeurde.

Er waren vier mensen in de auto wanneer het ongeval gebeurde.