Vertaling van kennen

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
kennen, bekend zijn met {ww.}
kennen
bekend zijn met {ww.}

ik ken
jij kent
hij/zij/het kent

ik ken
jij kent
hij/zij/het kent
» meer vervoegingen van kennen

We kennen hem.
We kennen hem.
We kennen elkaar niet.
We kennen elkaar niet.
kennen, beheersen, machtig zijn {ww.}
kennen
beheersen
machtig zijn {ww.}

ik beheers
jij beheerst
hij/zij/het beheerst

ik ken
jij kent
hij/zij/het kent
» meer vervoegingen van kennen

Engels beheersen is moeilijk.
Engels beheersen is moeilijk.
Bob kon zijn woede niet beheersen.
Bob kon zijn woede niet beheersen.
kennen, kennis [v], wetenschap [v] {zn.}
kennen
kennis [v]
wetenschap [v] {zn.}
Wetenschap (kennis) is macht
Wetenschap (kennis) is macht
Scheikunde is een oude wetenschap.
Scheikunde is een oude wetenschap.
kennen {ww.}
kennen {ww.}

ik ken
jij kent
hij/zij/het kent

ik ken
jij kent
hij/zij/het kent
» meer vervoegingen van kennen

We kennen hem niet.
We kennen hem niet.
We kennen haar niet.
We kennen haar niet.
kennen {ww.}
kennen {ww.}

ik ken
jij kent
hij/zij/het kent

ik ken
jij kent
hij/zij/het kent
» meer vervoegingen van kennen

Vanwaar kennen jullie elkaar?
Vanwaar kennen jullie elkaar?
kennen, tellen, bezitten {ww.}
kennen
tellen
bezitten {ww.}

ik bezit
jij bezit
hij/zij/het bezit

ik ken
jij kent
hij/zij/het kent
» meer vervoegingen van kennen

Hij kan niet tellen.
Hij kan niet tellen.
Mijn zoon kan al tot honderd tellen.
Mijn zoon kan al tot honderd tellen.
kennen, herkennen {ww.}
kennen
herkennen {ww.}

ik herken
jij herkent
hij/zij/het herkent

ik ken
jij kent
hij/zij/het kent
» meer vervoegingen van kennen

kennen {ww.}
kennen {ww.}

ik ken
jij kent
hij/zij/het kent

ik ken
jij kent
hij/zij/het kent
» meer vervoegingen van kennen



Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

We kennen hem.

We kennen hem.

We kennen elkaar niet.

We kennen elkaar niet.

We kennen hem niet.

We kennen hem niet.

We kennen haar niet.

We kennen haar niet.

Vanwaar kennen jullie elkaar?

Vanwaar kennen jullie elkaar?

We kennen elkaar al.

We kennen elkaar al.

We kennen hem niet.

We kennen hem niet.

We kennen haar niet.

We kennen haar niet.

Waar kennen jullie elkaar van?

Waar kennen jullie elkaar van?

Hij lijkt ons te kennen.

Hij lijkt ons te kennen.

Mijn ouders kennen mijn vriendin.

Mijn ouders kennen mijn vriendin.

Kennen jullie mijn broer Masao?

Kennen jullie mijn broer Masao?

Heel veel mensen kennen hem.

Heel veel mensen kennen hem.

Iedere leerling moet het schoolreglement kennen.

Iedere leerling moet het schoolreglement kennen.

Blij u te leren kennen, Ken.

Blij u te leren kennen, Ken.


Gerelateerd aan kennen

bekend zijn met - beheersen - machtig zijn - kennis - wetenschap - tellen - bezitten - herkenneninvolveren - weten - hebben - reproduceren