Vertaling van meet
Inhoud:
Nederlands
Nederlands
meet {zn.}
meet {zn.}
startlijn, meet {zn.}
startlijn
meet {zn.}
meet {zn.}
opnemen, uitmeten, roeien, opmeten, afmeten, meten {ww.}
opnemen
uitmeten
roeien
opmeten
afmeten
meten {ww.}
uitmeten
roeien
opmeten
afmeten
meten {ww.}
ik meet af
jij meet af
hij/zij/het meet af
ik neem op
jij neemt op
hij/zij/het neemt op
» meer vervoegingen van opnemen
"De telefoon gaat over." "Ik zal hem wel opnemen."
"De telefoon gaat over." "Ik zal hem wel opnemen."
Hoe kan ik contact opnemen met een Japans sprekende dokter?
Hoe kan ik contact opnemen met een Japans sprekende dokter?
meten {ww.}
meten {ww.}
ik meet
jij meet
hij/zij/het meet
ik meet
jij meet
hij/zij/het meet
» meer vervoegingen van meten
berekenen, meten {ww.}
berekenen
meten {ww.}
meten {ww.}
ik bereken
jij berekent
hij/zij/het berekent
ik bereken
jij berekent
hij/zij/het berekent
» meer vervoegingen van berekenen
Ze hebben wiskunde gebruikt om de vorm van het universum vlak voor en na de oerknal te berekenen.
Ze hebben wiskunde gebruikt om de vorm van het universum vlak voor en na de oerknal te berekenen.
aankomst, eindstreep , krijtstreep , meet , aankomstlijn, finish {zn.}
aankomst
eindstreep
krijtstreep
meet
aankomstlijn
finish {zn.}
eindstreep
krijtstreep
meet
aankomstlijn
finish {zn.}
De zwaargewonde man was al gestorven bij aankomst in het ziekenhuis.
De zwaargewonde man was al gestorven bij aankomst in het ziekenhuis.
opnemen, uitmeten, meten, opmeten {ww.}
opnemen
uitmeten
meten
opmeten {ww.}
uitmeten
meten
opmeten {ww.}
ik meet
jij meet
hij/zij/het meet
ik neem op
jij neemt op
hij/zij/het neemt op
» meer vervoegingen van opnemen
vechten, wedijveren, meten, rivaliseren {ww.}
vechten
wedijveren
meten
rivaliseren {ww.}
wedijveren
meten
rivaliseren {ww.}
ik meet
jij meet
hij/zij/het meet
ik vecht
jij vecht
hij/zij/het vecht
» meer vervoegingen van vechten
Ze vechten voor vrijheid.
Ze vechten voor vrijheid.
Ik kan je leren vechten.
Ik kan je leren vechten.
meten {ww.}
meten {ww.}
ik meet
jij meet
hij/zij/het meet
ik meet
jij meet
hij/zij/het meet
» meer vervoegingen van meten