Vertaling van ruimen

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
ruimen, regelen, opruimen, terechtbrengen, schikken, inrichten {ww.}
ruimen
regelen
opruimen
terechtbrengen
schikken
inrichten {ww.}

ik richt in
jij richt in
hij/zij/het richt in

ik ruim
jij ruimt
hij/zij/het ruimt
» meer vervoegingen van ruimen

Je moet je kamer opruimen.
Je moet je kamer opruimen.
Ze beloofde me dat ze mijn kamer op zou ruimen.
Ze beloofde me dat ze mijn kamer op zou ruimen.
ruimen, lichten, lenzen, uithalen, legen, ledigen {ww.}
ruimen
lichten
lenzen
uithalen
legen
ledigen {ww.}

ik ledig
jij ledigt
hij/zij/het ledigt

ik ruim
jij ruimt
hij/zij/het ruimt
» meer vervoegingen van ruimen

We hebben ook lenzen in ons assortiment.
We hebben ook lenzen in ons assortiment.
Plots gingen de lichten uit.
Plots gingen de lichten uit.
ruimen {ww.}
ruimen {ww.}

ik ruim
jij ruimt
hij/zij/het ruimt

ik ruim
jij ruimt
hij/zij/het ruimt
» meer vervoegingen van ruimen

Ik ben drie dagen bezig geweest om de kamer op te ruimen.
Ik ben drie dagen bezig geweest om de kamer op te ruimen.
ruimen, leegruimen {ww.}
ruimen
leegruimen {ww.}

ik ruim leeg
jij ruimt leeg
hij/zij/het ruimt leeg

ik ruim
jij ruimt
hij/zij/het ruimt
» meer vervoegingen van ruimen

ruimen, opruimen {ww.}
ruimen
opruimen {ww.}

ik ruim op
jij ruimt op
hij/zij/het ruimt op

ik ruim
jij ruimt
hij/zij/het ruimt
» meer vervoegingen van ruimen

ruim (mv. ruimen) {bn.}
ruim (mv. ruimen) {bn.}
breedvoerig, groot, royaal, ruim (mv. ruimen), uitgebreid, uitgestrekt, wijd {bn.}
breedvoerig
groot
royaal
ruim (mv. ruimen)
uitgebreid
uitgestrekt
wijd {bn.}
boven, meer dan, over, ruim (mv. ruimen)
boven
meer dan
over
ruim (mv. ruimen)
beuk [m], schip [o], ruim (mv. ruimen) {zn.}
beuk [m]
schip [o]
ruim (mv. ruimen) {zn.}
ruim (mv. ruimen), welvoorzien {bn.}
ruim (mv. ruimen)
welvoorzien {bn.}
ruim (mv. ruimen) {bw.}
ruim (mv. ruimen) {bw.}
ruim (mv. ruimen) [o], scheepsruim [o] {zn.}
ruim (mv. ruimen) [o]
scheepsruim [o] {zn.}
verlaten, ruimen {ww.}
verlaten
ruimen {ww.}

ik ruim
jij ruimt
hij/zij/het ruimt

ik verlaat
jij verlaat
hij/zij/het verlaat
» meer vervoegingen van verlaten

Ik moet je verlaten.
Ik moet je verlaten.
Ik zal u nooit verlaten.
Ik zal u nooit verlaten.
al, ruimte [v] (de ~), heelal [o] (het ~), ruim (mv. ruimen), universum [o] (het ~), schepping [v] (de ~), wereldruimte, wereldruim, kosmos [m] (de ~), luchtruim [o] (het ~) {zn.}
al
ruimte [v] (de ~)
heelal [o] (het ~)
ruim (mv. ruimen)
universum [o] (het ~)
schepping [v] (de ~)
wereldruimte
wereldruim
kosmos [m] (de ~)
luchtruim [o] (het ~) {zn.}
Het heelal zit vol geheimen.
Het heelal zit vol geheimen.
Maar het heelal is oneindig.
Maar het heelal is oneindig.
ruimdenkend, breeddenkend, liberaal, onbekrompen, ruim (mv. ruimen), breed, verlicht {bn.}
ruimdenkend
breeddenkend
liberaal
onbekrompen
ruim (mv. ruimen)
breed
verlicht {bn.}
ruim [o] (het ~), hol [o] (het ~) {zn.}
ruim [o] (het ~)
hol [o] (het ~) {zn.}
Ruim a.u.b. dat vaatwerk daar op.
Ruim a.u.b. dat vaatwerk daar op.
Als je er een boeltje van maakt, ruim het op.
Als je er een boeltje van maakt, ruim het op.
spatiëus, ruim (mv. ruimen) {bn.}
spatiëus
ruim (mv. ruimen) {bn.}


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Ze beloofde me dat ze mijn kamer op zou ruimen.

Ze beloofde me dat ze mijn kamer op zou ruimen.

Ik ben drie dagen bezig geweest om de kamer op te ruimen.

Ik ben drie dagen bezig geweest om de kamer op te ruimen.