Vertaling van stoffen

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
stoffen, zwetsen, snorken, snoeven, pochen, opscheppen, bluffen {ww.}
stoffen
zwetsen
snorken
snoeven
pochen
opscheppen
bluffen {ww.}

ik bluf
jij bluft
hij/zij/het bluft

ik stof
jij stoft
hij/zij/het stoft
» meer vervoegingen van stoffen

Radioactieve stoffen zijn gevaarlijk.
Radioactieve stoffen zijn gevaarlijk.
stoffen, stof afnemen, afstoffen {ww.}
stoffen
stof afnemen
afstoffen {ww.}

ik stof af
jij stoft af
hij/zij/het stoft af

ik stof
jij stoft
hij/zij/het stoft
» meer vervoegingen van stoffen

stoffen {bn.}
stoffen {bn.}
stoffen, afstoffen {ww.}
stoffen
afstoffen {ww.}

ik stof af
jij stoft af
hij/zij/het stoft af

ik stof
jij stoft
hij/zij/het stoft
» meer vervoegingen van stoffen

stoffen {bn.}
stoffen {bn.}
onderwerp, stof (mv. stoffen), subject {zn.}
onderwerp
stof (mv. stoffen)
subject {zn.}
stof (mv. stoffen) [o] {zn.}
stof (mv. stoffen) [o] {zn.}
stof (mv. stoffen), weefsel {zn.}
stof (mv. stoffen)
weefsel {zn.}
stof (mv. stoffen), spul, substantie [v], zelfstandigheid [v], goedje [o] {zn.}
stof (mv. stoffen)
spul
substantie [v]
zelfstandigheid [v]
goedje [o] {zn.}
Deze stof houdt zich goed.
Deze stof houdt zich goed.
Hij is allergisch voor stof.
Hij is allergisch voor stof.
stof (mv. stoffen), onderwerp, thema, apropos [o] {zn.}
stof (mv. stoffen)
onderwerp
thema
apropos [o] {zn.}
Ons thema van de week is: _____.
Ons thema van de week is: _____.
Je vraagt heeft niks met het onderwerp te maken.
Je vraagt heeft niks met het onderwerp te maken.
stof (mv. stoffen), zelfstandigheid [v], materie [v] {zn.}
stof (mv. stoffen)
zelfstandigheid [v]
materie [v] {zn.}
Het meisje maakte een pop van een stukje stof.
Het meisje maakte een pop van een stukje stof.
We zijn stof en schaduw
We zijn stof en schaduw
stof (mv. stoffen) {zn.}
stof (mv. stoffen) {zn.}
stof [m] (de ~), doek, textiel [m] (de/het ~), weefsel [o] (het ~) {zn.}
stof [m] (de ~)
doek
textiel [m] (de/het ~)
weefsel [o] (het ~) {zn.}
Ze zag zo bleek als een doek.
Ze zag zo bleek als een doek.
stof [m] (de ~), substantie [v] (de ~), materie [v] (de ~) {zn.}
stof [m] (de ~)
substantie [v] (de ~)
materie [v] (de ~) {zn.}
Op de woordenboeken ligt niets dan stof, op de mijne tenminste.
Op de woordenboeken ligt niets dan stof, op de mijne tenminste.
stof (mv. stoffen) [o] (het ~) {zn.}
stof (mv. stoffen) [o] (het ~) {zn.}
stof (mv. stoffen) [m] (de ~), materie [v] (de ~) {zn.}
stof (mv. stoffen) [m] (de ~)
materie [v] (de ~) {zn.}
poeder [m] (de/het ~), pulver, stof (mv. stoffen), poeier {zn.}
poeder [m] (de/het ~)
pulver
stof (mv. stoffen)
poeier {zn.}