Vertaling van voordoen

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
voordoen, aanzetten {ww.}
voordoen
aanzetten {ww.}

ik zal aanzetten
ik zou aanzetten
jij zult aanzetten

ik zal voordoen
ik zou voordoen
jij zult voordoen
» meer vervoegingen van voordoen

Hij kwam ook met alweer een andere twijfelachtige conclusie aanzetten.
Hij kwam ook met alweer een andere twijfelachtige conclusie aanzetten.
Er kan zich een bepaald probleem voordoen.
Er kan zich een bepaald probleem voordoen.
voordoen {ww.}
voordoen {ww.}

ik zal voordoen
ik zou voordoen
jij zult voordoen

ik zal voordoen
ik zou voordoen
jij zult voordoen
» meer vervoegingen van voordoen

Aardbevingen kunnen zich op elk moment voordoen.
Aardbevingen kunnen zich op elk moment voordoen.
voordoen {ww.}
voordoen {ww.}

ik zal voordoen
ik zou voordoen
jij zult voordoen

ik zal voordoen
ik zou voordoen
jij zult voordoen
» meer vervoegingen van voordoen

voordoen {ww.}
voordoen {ww.}

ik zal voordoen
ik zou voordoen
jij zult voordoen

ik zal voordoen
ik zou voordoen
jij zult voordoen
» meer vervoegingen van voordoen

houden, spelen, voordoen, uithangen, betonen {ww.}
houden
spelen
voordoen
uithangen
betonen {ww.}

ik zal betonen
ik zou betonen
jij zult betonen

ik zal houden
ik zou houden
jij zult houden
» meer vervoegingen van houden

Wij houden van voetbal spelen.
Wij houden van voetbal spelen.
Kinderen houden er echt van om op het strand te spelen.
Kinderen houden er echt van om op het strand te spelen.
voorkomen, voordoen, optreden, voorvallen {ww.}
voorkomen
voordoen
optreden
voorvallen {ww.}

ik zal optreden
ik zou optreden
jij zult optreden

ik zal voorkomen
ik zou voorkomen
jij zult voorkomen
» meer vervoegingen van voorkomen

Voorkomen is beter dan genezen.
Voorkomen is beter dan genezen.
Tom vond Mary's optreden niet erg goed.
Tom vond Mary's optreden niet erg goed.


Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Aardbevingen kunnen zich op elk moment voordoen.

Aardbevingen kunnen zich op elk moment voordoen.

Er kan zich een bepaald probleem voordoen.

Er kan zich een bepaald probleem voordoen.


Gerelateerd aan voordoen

aanzetten - houden - spelen - uithangen - betonen - voorkomen - optreden - voorvallentonen - vastbinden - vasthechten - tussenkomen - passeren