Vertaling van lives:
he/she/it lives
hij/zij/het leeft
» meer vervoegingen van leven
he/she/it lives
hij/zij/het woont
» meer vervoegingen van wonen
he/she/it lives
hij/zij/het leeft voort
» meer vervoegingen van voortleven
he/she/it lives
hij/zij/het bevolkt
» meer vervoegingen van bevolken
bewonen
he/she/it lives
hij/zij/het bevolkt
» meer vervoegingen van bevolken
he/she/it lives
hij/zij/het leeft
» meer vervoegingen van leven
existeren
he/she/it lives
hij/zij/het bestaat
» meer vervoegingen van bestaan
leven
he/she/it lives
hij/zij/het bestaat
» meer vervoegingen van bestaan
he/she/it lives
hij/zij/het leeft
» meer vervoegingen van leven
he/she/it lives
hij/zij/het blijft over
» meer vervoegingen van overblijven
Voorbeelden in zinsverband
He lives in Osaka.
Hij woont in Osaka.
Tom lives in Wales.
Tom woont in Wales.
He lives in Kyoto.
Hij woont in Kioto.
She lives nearby.
Ze woont vlakbij.
She lives in Kyoto.
Ze woont in Kyoto.
Carol lives in Chicago.
Carol woont in Chicago.
He lives above me.
Hij woont boven mij.
Tom lives in Gangnam.
Tom woont in Gangnam.
A cat has nine lives.
Een kat heeft negen levens.
John lives in New York.
John woont in New York.
He lives in a village.
Hij woont in een dorp.
He lives in this neighborhood.
Hij woont in deze wijk.
My brother lives in Tokyo.
Mijn broer woont in Tokio.
The old man lives alone.
De oude man leeft alleen.
He lives in a flat.
Hij woont in een woning.