Betekenis van:
articulate

articulate
Bijvoeglijk naamwoord
  • uit leden of geledingen bestaand
  • consisting of segments held together by joints

Synoniemen

articulate
Bijvoeglijk naamwoord
    • expressing yourself easily or characterized by clear expressive language
    "articulate speech"
    "an articulate orator"
    articulate
    Bijvoeglijk naamwoord
    • gearticuleerd
    • consisting of segments held together by joints

    Synoniemen

    Hyperoniemen

    to articulate
    Werkwoord
    • op schrift zetten
    • put into words or an expression

    Synoniemen

    Hyperoniemen

    Hyponiemen

    to articulate
    Werkwoord
      • unite by forming a joint or joints
      "the ankle bone articulates with the leg bones to form the ankle bones"

      Hyperoniemen

      to articulate
      Werkwoord
        • provide with a joint

        Synoniemen

        Hyperoniemen

        to articulate
        Werkwoord
        • verwoorden, uitspreken, verbaliseren, vertolken, vervatten
        • put into words or an expression

        Synoniemen

        Hyperoniemen

        Hyponiemen

        to articulate
        Werkwoord
          • express or state clearly

          Synoniemen

          Hyperoniemen