Betekenis van:
stark

stark
Bijvoeglijk naamwoord
  • rechtstreeks
  • in keeping with the facts

Synoniemen

stark
Bijvoeglijk naamwoord
  • buitensporig; met grote gevolgen
  • painstakingly careful and accurate

Synoniemen

Hyperoniemen

stark
Bijvoeglijk naamwoord
  • driedubbel; drievoudig; driema(a)l(ig)
  • complete and without restriction or qualification; sometimes used informally as intensifiers

Synoniemen

Hyperoniemen

stark
Bijvoeglijk naamwoord
  • op-en-top; echt
  • a pedigreed animal of unmixed lineage; used especially of horses

Synoniemen

Hyperoniemen

stark
Bijvoeglijk naamwoord
    • complete or extreme
    "stark poverty"
    "a stark contrast"
    stark
    Bijvoeglijk naamwoord
    • onafgewend
    • without qualification; used informally as (often pejorative) intensifiers
    "stark staring mad"

    Synoniemen

    stark
    Bijvoeglijk naamwoord
      • providing no shelter or sustenance
      "a stark landscape"

      Synoniemen

      stark
      Bijvoeglijk naamwoord
        • devoid of any qualifications or disguise or adornment
        "facing the stark reality of the deadline"

        Synoniemen

        stark
        Bijvoeglijk naamwoord
          • severely simple
          "a stark interior"

          Synoniemen

          stark
          Bijwoord
            • completely
            "stark mad"
            "mouth stark open"
            stark
            Bijwoord
            • absoluut, beslist, ten enenmale, volstrekt
            • totally and definitely; without question

            Synoniemen