Betekenis van:
gast

gast (de ~ | meervoud gasten)
Zelfstandig naamwoord
  • persoon voor wie men iets betaalt
"iemands gast zijn"

Hyperoniemen

gast (de ~ | meervoud gasten)
Zelfstandig naamwoord
  • iem. die, meestal daartoe uitgenodigd, bij iem. blijft eten of slapen
"gasten ontvangen"
"te gast zijn bij iemand"

Hyperoniemen

gast (de ~ | meervoud gasten)
Zelfstandig naamwoord
  • klant
"gasten herbergen"
"een schip met achttien gasten aan boord"

Hyperoniemen

Hyponiemen

gast (de ~ | meervoud gasten)
Zelfstandig naamwoord
  • iem. die op uitnodiging meespeelt in een team waar hij anders geen deel van uitmaakt
"als gast optreden"
"onze speciale gast van vanavond"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

gast
Zelfstandig naamwoord
  • wie ergens ontvangen, verwelkomd of op een bijzondere wijze behandeld wordt
gast
Zelfstandig naamwoord
  • klant in een hotel, restaurant e.d
gast
Zelfstandig naamwoord
  • wie uitgenodigd wordt voor een mediaprogramma: ''de centrale gast in een talkshow''
gast
Zelfstandig naamwoord
  • ''(computer)'' iemand zonder eigen account op een computer of netwerk
gast
Zelfstandig naamwoord
  • kerel: ''die opvliegende gast moesten ze voor altijd van de voetbalvelden weren''

Werkwoord