Betekenis van:
baas

baas
Zelfstandig naamwoord
  • eigenaar van een dier
"Hondenpoep dient door het baasje opgeruimd te worden."
baas (de ~ | meervoud bazen)
Zelfstandig naamwoord
  • hondeigenaar
"de baas van [Lassie]"
"kom bij de baas!"

Hyperoniemen

Hyponiemen

baas (de ~ | meervoud bazen)
Zelfstandig naamwoord
  • aanvoerder v.e. groep mensen; hoofd; baas of meerdere; bazin of meerdere
"eigen baas zijn"
"een baas zijn in [rekenen/taal]"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

baas (de ~ | meervoud bazen)
Zelfstandig naamwoord
  • volwassen mens van het mannelijk geslacht
"zeg baasje, is je moeder thuis?"
"het zo druk hebben als een klein baasje"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

baas
Zelfstandig naamwoord
  • de eigenaar van een zaak; baas v.e. bedrijf

Synoniemen

Hyperoniemen

baas
Zelfstandig naamwoord
  • overste, leider, chef
baas
Zelfstandig naamwoord
  • iem. die of iets dat groot is in zijn soort

Synoniemen

Hyperoniemen

Werkwoord